Tenhemelopneming van Maria
De diepe betekenis
van de Opneming van Maria in de Hemel met ziel en Lichaam
(het feest van 15 augustus)
Elke ziel wordt in de wereld gezonden om een leven te leiden,
waarvan begin en einde door God worden vastgesteld, helemaal volgens Zijn
Eeuwig Heilsplan voor alle zielen. Wanneer de ziel haar tijd op aarde heeft
“vol gemaakt”, moet zij al datgene hebben benut, wat God haar aan gaven,
talenten en vermogens heeft meegegeven, en datgene wat zij dagelijks aan
genaden heeft ontvangen. Zij moet uit dit alles de maximale vruchtbaarheid
hebben gehaald voor haar eigen heiliging en voor de bevordering van Gods Werken
voor het Heil van de hele schepping. Dan volgt het Goddelijk oordeel over het
voorbije leven van de ziel: De balans van een leven wordt opgemaakt, en aan de
hand daarvan wordt haar zijnstoestand voor de Eeuwigheid
vastgesteld.
Toen voor de Allerheiligste Maagd Maria de voorbeschikte tijd op
aarde was vervuld, vonden enkele unieke gebeurtenissen plaats. God had Haar
voor alle tijden met unieke voorrechten bedacht, omdat Haar rol binnen het
Goddelijk Heilsplan eenmalig was: Zij was de enige geschapen ziel, die met de
Godheid verbonden zou worden in ziel en lichaam. God had Haar het voorrecht van
de Onbevlekte Ontvangenis geschonken, waardoor Zij vrij van de erfzonde en haar
verregaande uitwerkingen werd ontvangen voor een leven, waarin Zij de Moeder
van de Godmens, de Christus, de Verlosser zou zijn. Op de door God vastgestelde
tijd nam de Heilige Geest Haar tot Zijn Bruid, de Goddelijke Kiem van Jezus
Christus werd in Haar Schoot gestort, en Zij droeg de Mensgeworden Godheid
negen maanden lang in het allerheiligste Tabernakel van Haar
Moederschoot. Zij leidde een vlekkeloos heilig leven, niet bevlekt door
de geringste zonde of ondeugd, en toonde Zich daardoor een leven lang de
absolute Meesteres over alle kwaad, alle duisternis, elke bekoring en
ontmoediging, en dus de absolute Meesteres over Zichzelf, daar Zij Zichzelf
niet de geringste afwijking van de allerheiligste levenswijze als de Moeder van
de Christus toestond.
God wilde Zijn uitverkoren Dochter niet op dezelfde wijze tot Zich
nemen als de andere zielen, omdat Zij nooit de paden der zonde had betreden en
dus met een volmaakt onbevlekte ziel deze aarde kon verlaten. Haar verdiensten
waren absoluut uniek, want Zij had dit leven in volmaakte
heiligheid niet ten geschenke gekregen, Zij had er elke minuut voor gestreden,
en zelfs veel harder dan de gemiddelde ziel. Zodra de satan had gemerkt dat
deze ziel iets ongenaakbaars in Zich droeg, want dat Zij aan al zijn manipulaties en inspiraties
glansrijk weerstond, beproefde hij Haar nog oneindig veel meedogenlozer dan hij
dit bij alle andere zielen pleegt te doen. Haar macht over de satan, zijn
gevolg en al zijn werken was zo oneindig, dat in de hel geleidelijk aan het
vermoeden rijpte (absolute zekerheid hierover werd de duivel niet vergund) dat
deze Vrouw wel eens de Moeder van de Messias kon zijn. De beproevingen werden
nog zwaarder. Deze beproevingen, evenals Maria’s ongeëvenaarde kennis over de
zonden en Haar doorzicht in de zondigheid der zielen, vormden samen de
loodzware last van Maria’s Smarten.
God had beoogd, Maria in het lichaam nooit te laten sterven, doch
Haar zonder enige verandering in de Hemel op te nemen. Maria drong er echter
bij God op aan, dat Zij de overgang naar het Eeuwig Leven zou maken zoals alle
andere zielen, omdat zelfs de Goddelijke Verlosser doorheen de dood was gegaan.
God wist Zijn Liefde vorm te geven door Maria te laten “inslapen”. Zij gleed
weg in een toestand van diepe verrukking, en werd met Lichaam en ziel ten
Hemel opgenomen.
Maria onderging voor Gods Troon geen oordeel, want Zij had bij
Haar Onbevlekte Ontvangenis (dus bijna vijftig jaar voor Jezus aan het Kruis
zou sterven) reeds het “voorschot” op de Verlossing ontvangen, daar Zij van de
erfzonde gevrijwaard was. Doordat Zij een absoluut heilig leven had geleid,
diende geen balans van Haar leven te worden opgemaakt.
Wanneer een leven op aarde ten einde loopt, wordt de ziel naar
Gods Troon gebracht voor het levensoordeel. Het lichaam blijft echter op aarde.
Bij Maria werd ook het Lichaam ten Hemel opgenomen. De reden hiervoor ligt in
de Goddelijke Wijsheid en Gerechtigheid besloten:
Normaal kleven aan het stoffelijk lichaam de sporen van allerlei zonde
en ondeugd. Bij Maria was dit niet het geval. Zelfs Haar lichaam moest tot
voorwerp van de grootste verering worden, want in Haar was het tot een
instrument van macht over de duisternis geworden. Maria had in Haar lichaam
namelijk:
·
Alle bekoringen overwonnen.
·
Alle behoeften die boven het
levensnoodzakelijke uitstegen, volkomen beheerst.
·
Van alle gehechtheden afstand gedaan, teneinde
een leven te kunnen leiden in dienst van Gods Heilsplan.
Elke vezel van Maria’s Wezen, Haar lichaam zowel als Haar Hart (al
Haar gemoedsgesteldheden, Haar Smarten vanwege de zonde, Haar volmaakte
Liefde), Haar geest (elke van Haar gedachten was op de vervulling van Gods
Plannen gericht) en Haar ziel (die geen enkele beschadiging door zonde of
ondeugd had gekend) verliet deze wereld even vlekkeloos als in het ogenblik van
Haar Onbevlekte Ontvangenis. Maria werd door God in de volheid van
Haar Wezen ten Hemel opgenomen omdat Zij volmaakt één was gebleven met Gods Wil
en hierdoor in alles, zelfs in Haar geringste gedachten, gevoelens en verlangens, in
elk gesproken woord en in elke handeling de volmaakte uitvoering had
gewaarborgd van datgene, wat God door Haar leven op aarde wilde bewerken.
In Maria waren het beeld en de gelijkenis met God volmaakt
geworden. Door Haar Opneming in de Hemel wilde God getuigen van Zijn grenzeloze
Liefde en Barmhartigheid, en Zijn onbegrensde erkenning voor de ziel die zich
volmaakt in Hem laat opnemen en op aarde niets anders doet dan Zijn Werken. Maria was op aarde
de volmaakte Spiegel van de Goddelijke Liefde, zuiverheid, schoonheid, macht en
vruchtbaarheid. Van Haar Wezen mocht geen vezel vrijgegeven worden aan het
bederf van de levenloze natuur, want Maria is voor eeuwig één met de volheid
van het Goddelijk Leven. In Haar Tenhemelopneming met Lichaam en ziel wilde God
aantonen dat datgene wat door de ziel op aarde wordt nagestreefd, door Hem na
het aardse leven wordt voltooid en vereeuwigd.
Maria leefde slechts voor de voltooiing van de vruchtbaarheid in
het Goddelijk Leven. God bekrachtigde dit, door Haar totaal in de volheid van
het Goddelijk Leven op te nemen. Meteen bij Haar intrede in de Hemel zou Hij
Haar niet aan het oordeel onderwerpen, doch Haar voor de eeuwigheid boven alles
verheffen, met de hele Hemel als getuige.
In Maria’s Opneming ten Hemel stelt God het uiterste Teken voor de
vrucht die de ziel erft wanneer zij de heiligheid in zich laat voltooien door
zichzelf totaal op te offeren voor de volmaakte overwinning van Zijn Wil, die
alles tot Leven wekt.
BRON: uit de onderrichtingen van het MARIA
DOMINA ANIMARUM APOSTOLAAT: (zie onderrichtingen: edelstenen der genaden)
http://www.maria-domina-animarum.net/
"Maria werd door God in de volheid van Haar Wezen ten Hemel opgenomen omdat Zij volmaakt één was gebleven met Gods Wil." |
Mooi om te lezen...bedankt
BeantwoordenVerwijderen