Er is een ontnuchterend moment in de Schrift wanneer Jezus tot een trouwe, actieve gemeente spreekt en iets dringends zegt. Hij beschuldigt hen niet van ketterij. Hij berispt hen niet voor immoraliteit. Hij zegt niet dat ze gestopt zijn met werken. Hij zegt iets veel ernstiger:
"Jullie hebben je eerste liefde verlaten."
(Openbaring 2,4-5)
Jezus vertelt ons iets cruciaals. Het is mogelijk om druk bezig te zijn voor God en tegelijkertijd afstandelijk van Hem te zijn. Het is mogelijk om te dienen, op te bouwen, berichten te plaatsen, diensten bij te wonen en zelfs offers te brengen, en toch langzaam af te drijven van de intimiteit die ooit alles voedde. En wanneer intimiteit vervaagt, vervaagt uiteindelijk ook het gezag.
Jezus maakt in Openbaring duidelijk dat dit geen kleinigheid is. Hij roept Zijn volk op zich te herinneren waar ze ooit waren, zich te bekeren en terug te keren naar de eerste werken. Niet nieuwe strategieën. Niet grotere platforms. Niet luidere stemmen. De eerste werken. Gebed dat voortkomt uit liefde. Gehoorzaamheid die voortkomt uit toewijding. Tijd met Hem die niet gehaast of afgeleid is.
Openbaring 2:4-5 :
“Maar Ik heb dit tegen u: u hebt uw eerste liefde verlaten. Denk daarom terug aan waar u bent gevallen; bekeer u en doe de eerste werken, anders zal Ik spoedig tot u komen en uw kandelaar van zijn plaats verwijderen, tenzij u zich bekeert.”
Dat woord ‘kandelaar’ is belangrijk. De kandelaar vertegenwoordigt geestelijke autoriteit, invloed en licht. Jezus zegt dat wanneer de liefde bekoelt, het licht dooft. De kerk mag dan nog bestaan, maar de kracht en aanwezigheid die haar ooit definieerden, zijn verdwenen.
(2 Kronieken 7:14)






































