woensdag 25 mei 2016

DE WARE LEVENSROEPING

DE WARE LEVENSROEPING:

Onderrichting van de Allerheiligste Maagd Maria

over de diepere betekenis van Liefde, Geloof en Hoop:





Zeer vele zielen “liggen afgetobd zoals schapen zonder herder” omdat zij geen echt levensdoel hebben. De moderne samenleving biedt geen Hoop en geen troost meer, en biedt ook geen inhoud aan het leven, want alles is op het materiële afgestemd, dat vergankelijk is en geen blijvend geluk kan geven, en de ware Zingever – God – is uit de maatschappij verbannen. De ziel die zich niet losmaakt uit de chaos van het levenspatroon dat ons in deze wereld opgedrongen wordt, kan niet anders dan wegzinken in de totale en absolute zinloosheid. Het leven in de hedendaagse wereld berooft de ziel van al haar levenskracht en levenslust. Zelfs zielen die uiterlijk gelukkig lijken, zijn in werkelijkheid vaak ten prooi aan diepgewortelde ontevredenheid en innerlijke strijd doordat de kern van hun wezen zich verzet tegen het tegennatuurlijke levenspatroon, dit wil zeggen: het leven in strijd met Gods verwachtingen. Slechts het leven voor Gods Heilsplan, in navolging van de ware levensroeping die God in elke ziel heeft geborgen, kan de ziel opnieuw doen opleven. Er is geen Ware Hoop tenzij voor de ziel die haar leven een invulling zoekt te geven die Gods Heilsplan en de eigen heiliging bevordert.
De eerste levensopdracht van elke ziel luidt:
·                            GELOOF in het Licht en in de overwinning van het Licht,
bBLIJF  JE VASTKLAMPEN AAN HET LICHT  vVAN GOD!
Ik sla mijn ogen op  naar de bergen,
van waar komt mijn hulp?
Mijn hulp komt van de Heer
Die Hemel en aarde gemaakt heeft.”
(Psalm 121: 1-2)



·                            BEMIN het LICHT boven alles, en zorg ervoor dat al uw innerlijke gesteldheden, uw woorden en daden vervuld zijn van Licht, en versterk de uitstraling van het Licht door zelf een teken van HOOP te zijn voor al uw medeschepselen.

GELOOF:

Geloof is het vermogen en de bereidheid om aan te nemen dat er een bovennatuurlijke werkelijkheid bestaat die wij normaal gesproken niet kunnen zien of horen. Er is sprake van Geloof wanneer de ziel in staat is om te aanvaarden dat God bestaat, zonder dat zij Hem ziet, en wanneer zij ook aanneemt dat Zijn daden werkelijkheid zijn.
Het Geloof haalt de ziel uit de oppervlakkigheid van een leven dat op niets anders is afgestemd dan het stoffelijke, het wereldse, en voert haar naar de diepe Waarheden van God als bronnen voor een totale wedergeboorte. De mens met een waarlijk sterk, echt geloof, wordt een totaal nieuwe mens die boven het wereldse lijkt uit te stijgen.
Het basisteken voor een eerste bloei van het ware Geloof in de ziel bestaat uit de overtuiging dat de werkelijkheid méér omvat dat datgene wat onze zintuigen ons laten waarnemen. Wat de ziel kan zien, horen, ruiken, smaken en betasten, kan zij in het geheugen opslaan als kennis van de realiteit. Zodra zij ervan overtuigd is dat de realiteit ook elementen bevat die zij niet kan zien, horen, ruiken, smaken of betasten, is zij ervan overtuigd dat de werkelijkheid elementen bevat waarvan zij op abstracte wijze “weet dat zij moeten bestaan”. “Iets” in hun wezenskern laat hen voelen dat er elementen zijn die boven het natuurlijke staan, en dat deze elementen niet door een wezen of intelligentie kunnen zijn ontstaan die zelf deel uitmaken van de waarneembare werkelijkheid.
God heeft elke ziel voorzien van een afdruk uit Zijn eigen Hart, en van een ingeboren kennis van Zijn oorsprong en bestemming. Deze afdruk en deze kennis worden spoedig na de geboorte in het vlees door talloze wereldse invloeden verborgen onder een laag duisternis, waardoor de ziel de voeling met haar oorsprong verliest. Om deze reden is het hele leven op aarde één strijd voor de wedergeboorte van het Geloof.
Evenals de Liefde, kan ook het Geloof in de ziel op zeer vele wijzen tot uiting worden gebracht. De Meesteres van alle zielen wijst op drie speciale wezenskenmerken van het Geloof, die kenmerkend zijn voor drie opeenvolgende trappen van volmaaktheid in het Geloof. Wij kunnen het zo uitdrukken, dat het GELOOF in toenemende graad van volmaaktheid bestaat uit:
1.                       Bewustzijn van goed en kwaad. Zodra de ziel ervan overtuigd is dat de werkelijkheid méér omvat dat datgene wat zij met haar zintuigen kan waarnemen, en dat de hele werkelijkheid uitgaat van een niet-geschapen Wezen, kan in haar ook de kennis van Gods Wet opnieuw ontwaken. In haar rijpt het bewustzijn van goed en kwaad als, respectievelijk, al datgene wat de Oorsprong van alles in Zijn Werken dient, en al datgene wat deze Werken hindert. Dit betekent dat de ziel in deze fase ervan overtuigd is dat er niet alleen een God bestaat, maar dat deze God ook werkt. De ziel begrijpt dat zij al haar gedragingen, haar woorden, en zelfs haar innerlijke gesteldheden, gedachten, gevoelens en verlangens, moet afstemmen op de bevordering van Gods Werken. Inderdaad, wanneer er een God bestaat die met een zo buitengewone, onnavolgbare Intelligentie en Wijsheid alles heeft gemaakt, dan kan het niet anders of achter dit alles zit een systeem dat ergens naartoe werkt.

De ziel begrijpt eveneens dat slechts de bloei van dit systeem tot geluk kan leiden, want zij voelt, tegelijk met de bloei van het Geloof, ook de rijping van de Liefde als een alles overheersende emotie die de hele schepping naar de Ware Vrede wil leiden.

Deze inzichten brengen de ziel tot het besef dat elk schepsel, dus ook zijzelf, een rol moet spelen in dit grote systeem, en zo rijpt in haar de overtuiging dat haar hele wijze van “zijn“ een bepaalde waarde (positief of negatief) heeft binnen dit systeem. In de ziel groeit de overtuiging dat alles een zin heeft en dat alles op één of andere wijze een weerslag, een reactie, een vergelding uitlokt, hetzij positief hetzij negatief. In de ziel rijpt dus het ware zondebesef, doordat het geweten – het regelsysteem van het zielsleven – steeds verder rijpt. Naarmate tevens de Liefde in de ziel bloeit, begint zij steeds gewetensvoller de zonde te vermijden, niet uit vrees omdat “zondigen niet mag”, doch omdat de Liefde zelf haar steeds méér begint te vervullen met afschuw voor de zonde.
2.                       Vergeestelijking. Naarmate in de ziel het Geloof bloeit, kan in haar een proces van voortschrijdende vergeestelijking op gang komen. De ziel beseft dat wereldse dingen, gebeurtenissen en belangen hol, inhoudsloos en vergankelijk zijn, en raakt doordrongen van de overtuiging dat het ware Heil slechts in een leven voor de hogere dingen verborgen ligt. Zij maakt zich steeds verder los van het materiële en krijgt een steeds verder groeiende afschuw voor alles wat werelds is. Op grond van haar ontwikkeld besef van het onderscheid tussen goed en kwaad beschouwt zij nu alle materialisme zoals het werkelijk is: als een grote valstrik van de duisternis, waarin ontelbare zielen voor goed wegzinken zoals in drijfzand.

Vergeestelijking is nooit absoluut of voltooid. Zij verloopt in vele opeenvolgende stappen, die in feite gelijklopen met het loskomen van werelds gehechtheden en een groeiende oprechte Liefde voor God en alles wat het Eeuwig Leven betreft. Naarmate de ziel hogere trappen van vergeestelijking bereikt, begint zij ook inwendig steeds rustiger en evenwichtiger te worden: zij ervaart een toenemende vrede van hart.
3.                       Ware Vrede van hart. Het leven in een wereld van materialisme en goddeloosheid brengt de ziel in een inwendige strijd. Ook de ziel die niet echt bloeit in Liefde en Geloof, is aan deze strijd ten prooi, omdat zij inwendig (onbewust) nog steeds door Gods Wijsheid wordt gewaarschuwd voor het feit dat het wereldse leven in strijd is met Gods Wet. Naarmate de ziel bloeit in Liefde en Geloof, wordt zij zich meer bewust van deze strijd, alsook van de oorzaak ervan, en begint zij daardoor bewuster te werken aan een nieuwe levenshouding, die beter past bij Gods verwachtingen en die de ziel nuttiger maakt binnen Gods Heilsplan. Naarmate Gods Licht in deze innerlijke strijd sterker wordt, verwerft de ziel een toenemende innerlijke Vrede, de Ware Vrede van hart.

De ziel die echt gelooft, ontwikkelt een zo sterk vertrouwen in God, Zijn Werken en Plannen, haar eigen Heil en de overwinning van het Licht, dat de innerlijke onrust begint te wijken. De ziel komt steeds méér tot rust, en ervaart een groeiende tevredenheid, gelatenheid, en aanvaarding van haar lot met alles wat op haar levensweg komt.

Eén van de factoren die in een ziel de innerlijke Vrede sterk kan laten toenemen, is het bewustzijn van het feit dat de Goddelijke Gerechtigheid alles compenseert en dat ooit alles in evenwicht komt. Deze overtuiging is als de bloem op een bodem van een echt vruchtbaar Geloof. De ziel laat zich niet meer blijvend in onrust brengen door al het negatieve en al het onrecht om zich heen, en voelt ook met zekerheid dat al haar beproevingen en inspanningen niet voor niets zijn.
Naarmate in de ziel het Geloof meer opgebloeid, wordt zij vrijer. Zij voelt zich niet langer de gevangene van de vele wereldse invloeden die in de kern van de ziel als bedreigend worden ervaren, want haar hart leeft eigenlijk in een heel andere wereld: deze van de “hogere” werkelijkheid. Precies daarom zegt Maria dat heiligheid gelijkstaat met ware vrijheid: De heilige ziel heeft zich zozeer van wereldse behoeften, van werelds denken en van wereldse waardeoordelen losgemaakt, dat zij als enige echte binding overhoudt: deze aan God en Zijn Werken. Het wereldse daarentegen verslaaft, maakt onzeker en onrustig.
HOOP:
De Hoop is de deugd waarbij de ziel het vermogen heeft om zich in alles gesterkt te weten en alles te kunnen relativeren doordat ze niet naar de zwarte wolken aan de horizont kijkt, doch in haar hart reeds de blauwe hemel voorbij de horizont ziet en beleeft, dit wil zeggen: leeft alsof de blauwe hemel er reeds echt is. De ziel in wie de Ware Hoop tot bloei komt, is bezield door de overtuiging dat het goede, het Licht, in het tijdloze reeds volkomen zijn, dus nu reeds werkelijkheid zijn in Gods Hart. Deze ziel bezit tegelijkertijd het Geloof dat deze nu nog verborgen toestand op Gods tijd ook daadwerkelijk waarneembaar zal worden. Zij put daaruit heel veel kracht, want waar de Hoop het Geloof ontmoet, wordt vertrouwen geboren.
Men zou het zo kunnen stellen, dat de Hoop het vermogen is om niet te leven vanuit datgene wat de zintuigen ons leren, doch vanuit datgene wat het hart ons leert, want in het hart heeft God het vermogen gelegd om één te zijn met Hem en Zijn Waarheid. Daarom kan een geopend, op God gericht hart reeds elementen van de werkelijkheid ervaren die nog voor de zintuigen verborgen zijn, en dus weten dat er heel wat méér is dan datgene wat wij zien.
Ware Hoop is eigenlijk: zodanig van alles het beste verwachten, dat men voortdurend leeft alsof men reeds in de zijnstoestand van de volkomen Gelukzaligheid verkeert, alsof het als het ware slechts een kwestie van tijd is tot de ellenden en beproevingen achter de rug zijn. In die gesteldheid ervaart de ziel steeds méér de neiging om het allerbeste te maken van elk moment
In de ziel waarin de Hoop de volkomenheid nadert, heerst de overtuiging dat het Licht de duisternis reeds overwonnen heeft, ondanks de schijn van een huidig overwicht van de duisternis in de wereld.
De Meesteres van alle zielen wijst op drie speciale wezenskenmerken van de Hoop, die kenmerkend zijn voor drie opeenvolgende trappen van volmaaktheid in de Hoop. Wij kunnen het zo uitdrukken, dat de HOOP in toenemende graad van volmaaktheid tot uiting komt in:
1.                       Blijmoedigheid. Wanneer in de ziel de Ware Hoop begint te bloeien, vindt zij in haar hart een straal van een nieuw licht, iets waaraan zij zich kan optrekken in de vele moeilijkheden van het leven en waaruit zij nieuwe kracht put. De ziel ervaart een toenemende neiging tot blijmoedigheid. Zolang deze gesteldheid niet ontbloeit, zal de ziel eerder zwaar aan vele dingen tillen, en kan zelfs de geringste beproeving haar in een negatieve stemming brengen. De blijmoedigheid is de vrucht van een toenemend vermogen om alles in het leven te relativeren, in het besef dat tegenslagen de ziel slechts kunnen schaden wanneer zij dit zelf toelaat. Door dit relativeringsvermogen krijgen de beproevingen en negatieve ervaringen van het leven steeds minder de kans om de ziel terneer te drukken. In plaats van lang bij de beproeving stil te staan, groeit in haar de neiging om op te staan en te herbeginnen, en wel zonder een bezwaard gemoed. De ziel kan dit doen doordat “iets” in haar zegt dat telkens iets negatiefs gebeurt, de gebeurtenis op een gezonde manier verwerkt moet worden als een les die haar door Gods Voorzienigheid wordt geschonken omdat het op dat ogenblik voor haar nuttig was, en dat zij nu verder moet. De blijmoedige ziel schudt na een val of tegenslag op haar levensweg als het ware het stof uit haar kleren, en trekt verder naar haar bestemming, waarvan zij voelt dat deze het waard is om voor te strijden. Zij ziet elke beproeving niet als een eindpunt of een langdurige stilstand, doch telkens als een nieuwe kans, een wedergeboorte voor een nieuw leven, verrijkt met nieuwe ervaringen.

De Meesteres van alle zielen zei ooit, dat de blijmoedigheid de handtekening van God is. De ziel die blijmoedig doorheen het leven gaat, laat het Goddelijk zaad in zich als het ware voortdurend bestralen door het Licht van God Zelf, waardoor haar werken een veel grotere vruchtbaarheid krijgen dan de werken van de ziel die niet blijmoedig is.
2.                       Offerbereidheid en totale toewijding. De hierboven beschreven gesteldheid ontwikkelt zich gewoonlijk met vallen en opstaan. De optimistische, blijmoedige benadering van het leven kan zich zo ver ontwikkelen dat de ziel de beproevingen en kruisen van het leven van harte aanvaardt als noodzakelijke elementen van het leven. Hier spreken wij van offerbereidheid: de ziel beseft dat alle kruisen slechts tijdelijk en nooit nutteloos zijn. De ziel kan deze offerbereidheid inbouwen in een volledige levenshouding door het verbond van totale toewijding te sluiten, gewoonlijk met de Allerheiligste Maagd Maria. In de totale toewijding sluit de ziel met Maria een verbond waarbij zij de gelofte aflegt, haar hele wezen en haar hele leven ten dienste te stellen van Gods Heilsplan. Maria heeft van God de leiding over de uitvoering van dit Heilsplan gekregen, en bezit de macht om elk offer, elke toegewijde beproeving, elk lijden dat Haar in handen wordt gegeven, in vereniging met Haar volmaakte Liefde toe te voegen aan de schatkamer der Genaden.

Om haar leven onvoorwaardelijk en totaal in dienst van Maria te stellen, moet de hoop in de ziel een grote ontwikkeling hebben doorgemaakt, want indien de ziel niet sterk doordrongen is van het feit dat beproevingen in werkelijkheid bronnen van Licht zijn, en dat Gods Licht in werkelijkheid nu reeds alle duisternis heeft overwonnen, zal zij niet in staat zijn om zichzelf volledig over te geven aan dit onzichtbare Wezen, Maria, diegene die een onbegrensde macht heeft ontvangen over alle duisternis doch die Haar onvolprezen macht grotendeels uitwerkt in het verborgene.
3.                       Geestdrift voor Gods Werken. Wanneer de ziel overtuigd is van de overwinning van het Licht, kan zij een punt bereiken waarop zij ongeremd met vuur inspanningen en werken volbrengt die voor Gods Rijk van nut kunnen zijn. Dit innerlijk vuur is de geestdrift. Van geestdrift kan in feite slechts waarlijk sprake zijn wanneer het innerlijk vuur gecontroleerd en geleid wordt door de ware Wijsheid.

De ziel kan werkelijk zo zeer “door de Geest gedreven worden” dat het lijkt alsof zij een nieuwe energiebron ontsloten heeft. Indien de ziel deze gewaarwording ten volle benut, zal zij bewuster gaan leven en geneigd zijn om het allerbeste van elk ogenblik te maken, omdat zij de werking van Gods Geest in zich bewuster voelt dan voorheen, en zich daardoor meer rekenschap geeft van het feit dat elke gebeurtenis, elke situatie en elke minuut kostbaar zijn voor haar groei naar de ware heiligheid.

Wanneer de Ware Hoop uitdrukkelijk en bewust leeft in de ziel, ervaart zij een innerlijke kracht die haar boven zichzelf kan doen uitstijgen, zodat zij zichzelf nauwelijks herkent in vergelijking met vroeger. In deze ziel komt het spreekwoord tot leven dat zegt “hoop doet leven”: De bewuste beleving van de Hoop kan een buitengewoon sterke drijvende kracht worden, die de ziel een soort wedergeboorte doet ondergaan.

De ziel kan ook door een innerlijk vuur gedreven worden dat eerder uitgaat van de koorts van een bekoring. Dit innerlijk vuur zal doorgaans niet met blijmoedigheid doch met een zekere innerlijke spanning gepaard gaan, en ook niet “bezield” zijn: het is als het ware een “dood vuur”, een vuur dat geen goede vruchten voortbrengt en de ziel niet laat groeien. Maria noemt dit “valse geestdrift”: gedrevenheid die niet van de Heilige Geest komt. Deze heeft vaak een doelstelling die eerder wereldse of persoonlijke behoeften van de ziel dient, in plaats van de behoeften van Gods Heilsplan.

De satan tracht de bloei van de HOOP in de ziel hoofdzakelijk te ondermijnen door gebruikmaking van de beide volgende strategieën:
1. Ontmoediging op grond van slechte herinneringen:
Negatieve ervaringen uit het verleden kunnen de ziel ertoe aanzetten om denkpatronen te ontwikkelen waardoor zij voor de toekomst steeds het slechtste en onaangenaamste verwacht. Voor alle verdere ontwikkelingen van haar leven gaat zij ervan uit dat deze haar schade zullen toebrengen, leed zullen berokkenen of onaangenaam zullen zijn, en zij verwijst daarvoor naar gebeurtenissen in haar verleden waarbij zij negatieve ervaringen heeft opgedaan. Hier is sprake van een bekoring die zo lang aanhoudt dat zij in de geest tot verstarring heeft geleid. De ziel gaat er automatisch van uit dat wat in het verleden is gebeurd, zich noodgedwongen opnieuw zal herhalen. Zij houdt er geen rekening mee dat God bepaalde gebeurtenissen in het leven op een welbepaald ogenblik toelaat omdat de ziel een bepaalde ervaring nodig heeft voor haar inwendige loutering en groei, en om de verdienste van het ware vertrouwen op God te verwerven.
Het brengen van offers in vast vertrouwen op het feit dat God intussen diep in de ziel Zijn Werken voltrekt voor haar Eeuwig Geluk, vormt een buitengewoon rijke bron van verdiensten die de ziel verrijken. Een herhaling van een negatieve ervaring uit het verleden is niet vanzelfsprekend, integendeel, zelfs niet indien de begeleidende omstandigheden gelijkaardig schijnen. Waarom? Omdat God nu of morgen niet precies dezelfde werken in onze ziel hoeft te volbrengen als ergens in ons verleden, en omdat de ontwikkelingstoestand van onze ziel op geen enkel punt in ons leven identiek is aan de toestand op elk ander punt. Het leven en de ontwikkeling van de ziel zijn onophoudelijk in beweging. Ook de ontwikkeling van Gods Heilsplan varieert onophoudelijk. Er bestaan daarom in een mensenleven nooit twee identieke punten, en derhalve bestaat er voor God ook geen enkele noodzaak om onze ziel steeds weer identiek dezelfde ontwikkeling en afloop van zaken te laten doormaken.
Door een herhaling van negatieve gebeurtenissen te verwachten en op beproevingen negatief te reageren, kan de ziel echter wel zelf de stand van haar eigen zielsontwikkeling zozeer doen gelijken op deze van het ogenblik waarop de negatieve ervaring zich ooit heeft voltrokken, dat deze ervaring zich inderdaad opnieuw herhaalt. Dit gebeurt vaak bij zielen van wie de stand van spirituele ontwikkeling nauwelijks verandert, dus zielen die in hun leven heel weinig verbinding zoeken met het Goddelijke, of ook zielen die wel met het Goddelijke bezig zijn, doch de spirituele ervaringen en leringen die zij krijgen, heel weinig vruchtbaar laten worden (bijvoorbeeld: zielen die spirituele teksten lezen, doch de inhoud ervan niet in hun eigen leven toepassen, of zielen die bidden zonder echt in te gaan op de inhoud en de zin van hun gebeden voor hun zielsleven).
Deze zielen hebben geen Ware Hoop. Zij houden geen rekening met het feit dat God voortdurend aan het werk is, ook tijdens het schijnbaar onaangename. Dit alles maakt deel uit van de verborgen verwoestingwerken van de satan, die niet alleen bezig is, de maatschappij als geheel te ontwrichten, doch ook individuele zielen vanuit hun onderbewustzijn ondermijnt door hen op de meest uiteenlopende wijzen van hun levenslust te beroven, opdat zij geen positieve werken voor Gods Heilsplan zouden volbrengen. Ontmoediging betekent immers niets anders dan het verliezen van de moed om de ware levensroeping te volbrengen, die uiteindelijk voor elke ziel neerkomt op de zelfofferande tot verwezenlijking van Gods Plannen.
2. Ontmoediging op grond van persoonlijke zwakheden:
Elke ziel heeft haar eigen zwakheden. Dit wijst niet op gebreken in Gods scheppingswerken, doch eerder op de volmaaktheid van Zijn Liefde: Om de Eeuwige Gelukzaligheid te verdienen, moet elke ziel:
·                            bijdragen tot de verwezenlijking van Gods Heilsplan, en
·                            zichzelf tot heiliging brengen
Om zichzelf tot heiliging te brengen, moet de ziel in de loop van haar leven haar persoonlijke zwakheden trachten te overwinnen. Zij moet dit doen door strikte naleving van de Christelijke Leer en van de onderrichtingen die God de zielen via Maria geeft, zoals het geval is in de Wetenschap van het Goddelijk Leven. De ziel wordt hierin bijgestaan door de genadewerking, en deze wordt optimaal wanneer de ziel zich totaal en onvoorwaardelijk toewijdt aan Maria. Dit alles betekent een grote, levenslange opgave, die echter precies de sleutel tot de heiliging en de Eeuwige Gelukzaligheid in zich bergt. Daarom zijn zwakheden, evenals de beproevingen, een zegen, op voorwaarde dat de ziel zich volhardend inzet om hen te overwinnen. De satan weet dat dit een moeilijke strijd is, en tracht deze op de meest listige wijzen nog verder te verzwaren. Ziehier een strategie van zijn voorkeur:
Vaak neigen zielen ertoe, hoofdzakelijk te zondigen op punten waaraan hen op grond van hun gevoelsleven juist heel veel gelegen is. Doorgaans gaat het om gedragspatronen die de ziel niet lijkt te kunnen veranderen en die dus tot gewoonten worden die haar ertoe aanzetten, een echte hekel aan zichzelf te krijgen. Zo zet de satan zeer vele zielen aan tot voortschrijdende zelfvernietiging vanuit hun eigen vergiftigde gedachten en gevoelens, waardoor zij steeds méér duisternis in zich samenballen. Het gevolg kan zijn: depressie, zelfmoordneigingen, niet meer met zichzelf kunnen leven, verlies van alle hoop. Enkele voorbeelden:
·                            Er zijn zielen die heel veel belang hechten aan zuiverheid, doch juist voortdurend bekoord worden om te vervallen in onkuisheid, duistere gedachten koesteren, onzuivere woorden in de geest horen enzovoort.
·                            Er zijn zielen die veel belang hechten aan het verspreiden van Ware Liefde, en toch steeds weer bekoord worden tot gedrag waardoor zij bij andere zielen de indruk wekken dat zij onverschillig zijn.
·                            Er zijn zielen die een grote Liefde hebben voor dieren, en niettemin in hun leven momenten of fasen doormaken waarin zij geneigd zijn tot fysieke of emotionele mishandeling van dieren; enzovoort...
Zeer vele zielen “liggen afgetobd zoals schapen zonder herder” omdat zij geen echt levensdoel hebben. De moderne samenleving biedt geen Hoop en geen troost meer, en biedt ook geen inhoud aan het leven, want alles is op het materiële afgestemd, dat vergankelijk is en geen blijvend geluk kan geven, en de ware Zingever God – is uit de maatschappij verbannen. De ziel die zich niet losmaakt uit de chaos van het levenspatroon dat ons in deze wereld opgedrongen wordt, kan niet anders dan wegzinken in de totale en absolute zinloosheid. Het leven in de hedendaagse wereld berooft de ziel van al haar levenskracht en levenslust. Zelfs zielen die uiterlijk gelukkig lijken, zijn in werkelijkheid vaak ten prooi aan diepgewortelde ontevredenheid en innerlijke strijd doordat de kern van hun wezen zit verzet tegen het tegennatuurlijke levenspatroon, dit wil zeggen: het leven in strijd met Gods verwachtingen. Slechts het leven voor Gods Heilsplan, in navolging van de ware levensroeping die God in elke ziel heeft geborgen, kan de ziel opnieuw doen opleven. Er is geen Ware Hoop tenzij voor de ziel die haar leven een invulling zoekt te geven die Gods Heilsplan en de eigen heiliging bevordert.
LIEFDE:

De Meesteres van alle zielen heeft vroeger reeds onderricht: indien de heiliging van de ziel zou worden beschouwd als een boom, zou de Liefde de boomstam zijn, en alle andere deugden de takken, die uit deze stam ontspringen. Elk van de deugden moet voldoende groeien om bloesems (elementen van schoonheid die aan God herinneren) en vruchten (werken voor Gods Rijk) voort te brengen. Wordt de Liefde slecht gevoed of slecht opgenomen, dan lijdt de hele boom: de beleving van alle deugden verzwakt. Het is van wezenlijk belang dat de boomstam stevig in Gods Hart geworteld blijft. Zodra een boom ontworteld wordt, sterven heel spoedig de stam, de takken en de vruchten af.
Eigenlijk is de Liefde de brandstof van alle Werken van God. God houdt geen ogenblik op, aan Zijn schepping te werken. Elke handeling die God in Zijn schepping stelt, elke inspiratie die Hij aan zielen geeft, elk van die talloze elementen van Zijn Voorzienigheid, dit alles wordt “bewogen” of “voortgestuwd’ door de Goddelijke Liefde. Wij zouden het zo kunnen zien:
·                            De motor van Gods Werken is Zijn WIL, die alles in gang zet.
·                            De brandstof die zorgt dat Zijn Wil de dingen voortbrengt (schept) of verandert, is Zijn LIEFDE.
Gods Wil stuwt de Goddelijke Liefde elk ogenblik naar alle schepselen. Deze Liefde is de draagster van het Leven en bevat dus scheppende en herscheppende krachten. De Goddelijke Liefde is het ware voedsel van de ziel. In de mate waarin de ziel de binnenstromende Liefde in zich toelaat, houdt zij in zich het Ware Leven (het Goddelijk Leven) in stand.
De Liefde stroomt naar elke ziel toe, doch de ziel moet deze op haar beurt laten verder stromen. Deze doorstroming zuivert de ziel. Wanneer de Liefde niet vanuit een ziel verder stroomt naar andere schepselen, verliest deze ziel aan levenskracht, want zij wordt steeds minder rein: Liefde die niet stroomt, voedt slechts beperkt. Dat komt doordat zij haar aanraking met God verliest zodra zij niet vrijwillig doorgegeven wordt. Inderdaad, de ziel betoont God op haar beurt haar Liefde door de Goddelijke Liefde bereidwillig in zich op te nemen en te laten doorstromen naar andere schepselen. De ziel die haar medeschepselen Liefde betuigt in woord en daad, en in gedachten en gevoelens, bemint hierdoor in werkelijkheid de Bron van alle Liefde: God.
Wanneer de ziel de Liefde, deze essence van het Goddelijk Leven, in zich opneemt, moet zij deze waarlijk in zich benutten (verteren. Deze “vertering” zal des te doeltreffender zijn naarmate de ziel een sterker en waarachtiger Geloof bezit. Daarom is het een Goddelijke Wet, dat de naar de ziel stromende Goddelijke Liefde zich in de allereerste plaats richt op het vermogen van de ziel om in God en Zijn Werken te geloven. Zodra dit luik in de ziel geopend is, is de ziel in staat om Gods Liefde beter te benutten en haar te laten stromen opdat deze naar God terug kan keren. Een ziel die geen echt geloof in God en Zijn Werken ontwikkelt, kan nooit God voor ogen houden wanneer zij de Liefde benut. Gods Wet heeft echter voorzien dat de Liefde moet stromen opdat zij, na in de schepping haar werk te hebben gedaan, naar Gods Hart terug zou kunnen keren om in verrijkte toestand opnieuw naar de zielen te vertrekken, en zo steeds verder.
Het is heel belangrijk, erop te wijzen dat alles wat Goddelijk is, nooit “opgebruikt” wordt, doch zich integendeel eindeloos, eeuwigdurend, blijft vermenigvuldigen. Dit is een Goddelijk Mysterie waarover de Meesteres van alle zielen het reeds vaker heeft gehad. Deze kennis helpt de ziel begrijpen dat zij de Liefde in zich kan opnemen en volkomen kan benutten voor eigen “voeding” en zielsgroei, en niettemin haar kan laten verder stromen.
Een ziel die Gods Liefde volkomen benut, brengt zichzelf hierdoor naar steeds hogere trappen van heiligheid, en laat intussen een even grote hoeveelheid Liefde verder stromen. Men zou het in een beeld kunnen beschouwen als volgt: wanneer de Goddelijke Liefde volkomen in de ziel opgenomen en benut wordt, voltrekt zich door een Goddelijk Mysterie in haar als het ware een wonderbare broodvermenigvuldiging: deze ziel eet tot zij verzadigd is voor de werken die God op dat ogenblik binnen in haar en naar haar omgeving toe van haar verwacht, en geeft niettemin volle manden door aan haar medeschepselen. Zo kan worden verklaard hoe het komt dat een waarlijk heilige ziel zoveel Licht en kracht om zich heen verspreidt: hoe heiliger de ziel wordt (door volop van Gods Liefde “te eten” en zich erdoor te versterken), des te sterker wordt zij in alle deugden, des te groter wordt haar inzet naar haar medeschepselen toe, en des te beter kan zij God Zelf vertegenwoordigen naar haar medeschepselen toe.
Het wezen van de Liefde in de ziel zelf, is de bezieling door het alles overheersend verlangen dat haar medeschepselen het beter zouden hebben. Dit verlangen is één van de grootste uitwerkingen die de Liefde in een ziel krijgt wanneer deze de “brandstof van Gods Werken” in zich tot volle nut brengt. De ziel waarin de Liefde zich volop uitwerkt, voedt zich dus met de “Essence van Gods Wezen”, en benadert hierdoor steeds méér de wezenskenmerken van God Zelf. Het is immers Gods grootste verlangen dat de ziel uitgroeit tot Zijn beeld en gelijkenis, en om deze reden heeft Hij het zo beschikt dat de ziel zich zou voeden aan de essentie van Zijn Goddelijk Wezen: de Liefde. Door de Liefde in zich op te nemen, “eet de ziel als het ware van God Zelf”.
Een ziel die zich rijk voedt aan Gods Liefde, begint meer en meer de schepping te bekijken zoals God Zelf deze bekijkt. Zij verkrijgt een steeds dieper inzicht in het ware wezen van elke medemens, elk dier, elke plant, elke bloem, en ziet in dat alles wat God ziet: Werken van Zijn Liefde. Deze ziel voelt hierdoor een steeds diepere Liefde voor elk medeschepsel en zoekt in het medeschepsel vooral de zuiverheid, de reinheid, de onschuld, de vrede, alle tekenen van Gods Tegenwoordigheid.
De Liefde kan in de ziel op zeer vele wijzen tot uiting worden gebracht. De Meesteres van alle zielen wijst echter op drie speciale wezenskenmerken van de Liefde, die kenmerkend zijn voor drie opeenvolgende trappen van volmaaktheid in de Liefde. Wij kunnen het zo uitdrukken, dat de LIEFDE in toenemende graad van volmaaktheid bestaat uit:
1.                       Zachtmoedigheid. De ziel in dewelke de Goddelijke Liefde waarlijk wortel heeft geschoten, begint haar medeschepselen te benaderen met zachtmoedigheid. Maria vergeleek de zachtmoedigheid ooit met de warmte van de zon. De ziel die haar medeschepselen met zachtheid benadert, zacht met hen omgaat en zacht tot hen spreekt, streelt hen in hun wezenskern en hult hen in een mantel van geborgenheid. Mens en dier voelen (onbewust) sterk de nabijheid van Gods Liefde wanneer een zachtmoedige ziel met hen omgaat.
2.                       Zelfverloochening. Naarmate de Liefde in de ziel sterker wordt, treedt een volgende uitwerking aan de dag: de ziel groeit in haar vermogen tot zelfverloochening. Op deze trap van haar ontwikkeling begint zij steeds gemakkelijker haar eigen noden en verlangens weg te cijferen om zich in te zetten voor het welzijn, de vreugde en het geluk van haar medeschepselen (haar medemens, en in een verdere graad van ontwikkeling eveneens dieren. De vaststelling van enig tekort of enig lijden bij haar medeschepsel (mens en dier) laat haar uiteindelijk geen rust meer. Maria vergelijkt de zelfverloochening met de lichtenergie van de zon, die aan de basis ligt van de aanmaak van energie en zuurstof in planten (zoals gebeurt bij de zogenaamde fotosynthese: het proces waarbij in planten koolstofdioxide en water door inwerking van het zonlicht worden omgezet in suikers en zuurstof. De vergelijking ligt hierin: De ziel die zichzelf verloochent, straalt op haar medeschepselen als het ware licht af, dat de noden en het leed van deze medeschepselen omzet in nieuwe levenskracht.
3.                       Onbegrensde vergevingsgezindheid. De Meesteres van alle zielen beschouwt als de hoogste ontwikkelingstrap van de Liefde de onbegrensde vergevingsgezindheid. Een medeschepsel dat jegens ons heeft misdaan (of waarvan wij geloven dat het jegens ons heeft misdaan), draagt in onze ogen een schuld. Zolang de ziel trekken vertoont die een maximale ontplooiing van de Liefde belemmeren (bijvoorbeeld trots, hoogmoed, gehechtheid aan eigen imago of aan eigen gewin), zal zij ervan uitgaan dat deze schuld vereffend moet worden. Vergeving echter, is kwijtschelding van deze “schuld”, dus afstand doen van elke persoonlijke behoefte om door het “schuldige” medeschepsel “geëerd” en gerespecteerd te worden. De ziel kan deze gesteldheid pas tot een echte levenshouding maken zodra zij in haar hart onvoorwaardelijke Liefde wil geven door in alle omstandigheden totaal en onvoorwaardelijk alles te vergeven. Maria vergelijkt de onvoorwaardelijke vergevingsgezindheid met een zon die een zodanig licht uitstraalt dat het als het ware zelfs geen schaduwen meer werpt doordat de Liefde in alle richtingen tegelijk onbegrensd straalt. Opmerkelijk aan dit beeld is de vaststelling dat Maria op Goede Vrijdag 2007 zei: “Waar het Goddelijk Licht heerst, verdwijnen alle schaduwen”. Totale en onvoorwaardelijke vergevingsgezindheid laat de ziel in hoge mate op God gelijken.
Zodra de ziel haar medeschepselen (mens en dier) in alle omstandigheden weet te benaderen vanuit een gedrag en innerlijke gesteldheid die worden aangedreven door tegelijkertijd zachtmoedigheid, zelfverloochening en onvoorwaardelijke vergevingsgezindheid, heeft de Liefde in haar een zeer hoge trap van ontwikkeling bereikt en kan worden gesteld dat zij leeft in een gesteldheid van zeer vruchtbare heiligheid.
Alles wat uit Gods Hart naar de schepping toe stroomt, wekt een tegenzet van de duisternis op. De satan en zijn gevolg hebben bij hun verstoting uit de Hemel als opstandige engelen de eed gezworen dat zij Gods Werken zouden ondermijnen en de heerschappij over de mensenzielen naar zich toe zouden trekken, opdat Gods Rijk nooit op aarde zou komen. In deze onderrichting toont de Meesteres van alle zielen aan hoe de krachten der duisternis de zielen en hun samenleving zoeken te ontwrichten door een sluw uitgekiende strategie tot verwoesting van het zaad van de Liefde, het Geloof en de Hoop.
Strategie van de satan tot verwoesting van het zaad van de LIEFDE:
De satan tracht de bloei van de LIEFDE in de ziel hoofdzakelijk te ondermijnen door gebruikmaking van de volgende strategieën:
1. Egoïsme, competitie en concurrentie:
De mens leeft in een stoffelijk lichaam met behoeften (voedsel, kleding enz.. Naarmate een samenleving zich ontwikkelt, wordt de bevrediging van deze behoeften meer en meer geregeld via een georganiseerde economie: uit de schepping worden stoffen gehaald, die bewerkt, verwerkt en verhandeld worden. Deze verhandeling gebeurt met geld als verbindingsmiddel tussen alle schakels in de ketting van productie, verdeling en verkoop.
In deze ketting bestrijden vaak heel veel verschillende organisaties elkaar om een zo groot mogelijk aandeel van de grondstoffen en koopwaar in handen te krijgen. Deze strijd heet concurrentie. Spoedig draait de inzet helemaal om geld, aanzien, rijkdom, bezit, invloed.
De maatschappij is zodanig diep door dit gedragspatroon aangetast, dat de zucht naar geld voor ontelbare zielen een levensdoel op zich is geworden. De mens wordt zelfzuchtig. De gesteldheid van de zelfzucht, de geest van concurrentie en competitie, ontwricht reeds de hele geschiedenis lang steeds dieper en dieper de hele samenleving en verziekt ontelbare zielen. Geen ziel ontsnapt eraan. Het enige wapen ertegen is de Liefde, die de ziel in staat stelt om haar eigen behoeften minimaal te maken.
Vergeten wij nooit dat een heel groot gedeelte van onze behoeften in ons hart leeft. Dit wil zeggen: het geheel van datgene wat wij als behoeften ervaren, kunnen wij veel kleiner maken door ons hart erin te oefenen, vreugde te scheppen in de soberheid, in de verloochening van zoveel mogelijk behoeften die boven het levensnoodzakelijke uitstijgen. In de mate waarin de ziel zich van behoeften kan bevrijden, zal zij de bezieling vinden om meer en meer van en voor de Ware Liefde tot God en haar medeschepselen te leven.
De schepping heeft nu hoge nood aan een toenemend aantal zielen die de neiging tot bevrediging van eigen behoeften in zich aan banden weten te leggen, opdat de concurrentie; de zelfzucht, en de neiging om in alles boven de medemens te staan, gebroken moge worden als heersende gesteldheid in de maatschappij, want deze mentaliteit houdt ontelbare zielen in de duisternis vast. Zalig de ziel die slechts leeft voor God en haar medeschepselen (mens en dier. Zij zal haar eigen noden door Gods Voorzienigheid bevredigd zien.
2. Agressie, gebrek aan inleving in alle medeschepselen:
Eigenlijk is agressie een kind van de zelfzucht. De ziel die de bevrediging van de eigen behoeften tot hoofddoel van haar leven en handelen maakt, beschouwt haar medeschepselen als concurrenten (alles wat naar het medeschepsel gaat, kan niet naar de ziel zelf gaan – een redenering die geen rekening houdt met de onuitputtelijkheid van Gods bijstand) of als voorwerpen die slechts dienen om haar te verrijken of haar behoeften te bevredigen. Deze ziel wordt gevoelloos of liefdeloos. Op grote schaal gebeurt dit onder andere in industrieën waarin dieren worden verhandeld voor de voedselketen, in meedogenloze politieke regimes, en in uitbuiting van arbeidskrachten.
De ziel die haar hart sluit voor haar medeschepselen (mens en dier), vergeet spoedig dat deze medeschepselen, net als zijzelf, gevoelens of ten minste gewaarwordingen hebben, en evenzeer behoefte hebben aan Liefde. Wanneer de ziel haar medeschepselen liefdeloos of met alle gebrek aan eerbied behandelt, zondigt zij op grove wijze tegen de Grondwet van God die stelt dat elk levend wezen Liefde nodig heeft als voedsel om zijn rol binnen Gods Heilsplan te kunnen vervullen, en dat elke ziel daarom de plicht draagt, de Liefdesstroom die zij van God ontvangt, in zich te verwerken en onbelemmerd te laten doorstromen naar al haar medeschepselen.
De ziel die de Liefde in zich laat sterven door zelfzucht, vervalt spoedig in gevoelloosheid, onverschilligheid voor de noden van haar medeschepselen en agressie. Zij kan zich niet in het hart van een medeschepsel inleven en staat er niet bij stil wat zij zelf zou ervaren indien zij met liefdeloosheid werd behandeld, noch wat Gods Hart hierbij ervaart. Door gebrek aan innerlijk Licht (de dood van de Liefde betekent algehele verduistering in de ziel) begrijpt de ziel ook niet meer dat elke liefdeloosheid en elke ongevoeligheid jegens haar medeschepselen de hele schepping met nieuwe duisternis belast en daardoor ook haarzelf dieper in ellende laat wegzinken.
Op alle christelijke zielen rust de verplichting, Gods Barmhartigheid te bestormen met gebeden en offers voor de uitstorting van genaden van inzicht in de zielen die niet in staat zijn om te beseffen dat alle mensenzielen en dieren door God zijn geschapen in een systeem van onderlinge uitwisseling van Liefde, zorgzaamheid en hulp. De verantwoordelijkheid voor de vruchtbaarheid van dit systeem ligt bij elke mensenziel. De door God voorziene vruchtbaarheid van dit systeem is deze welke tot uiting komt in:
·                            Een volkomen vrede tussen alle schepselen en binnenin elk schepsel;
·                            De ervaring van het ware geluk door elk schepsel;
·                            Een omgang van elke ziel met elk medeschepsel in een gesteldheid van vlekkeloos respect in het bewustzijn van het feit dat elk schepsel (mens en dier) Gods handtekening in zich draagt, en dat derhalve elke uiting van liefdeloosheid jegens een medeschepsel neerkomt op een agressie jegens God Zelf.
3. Haat:
In wezen is haat een gesteldheid waarin een ziel verlangt dat één of meer (of alle) medeschepselen helemaal niet zouden bestaan, omdat zij het gehate wezen beschouwt als een voorwerp dat haar in elk opzicht in de weg staat. Deze emotie vindt in de ziel haar oorsprong in de opvatting dat het gehate wezen iets vertegenwoordigt dat de ziel niet past, dat haar schaadt, of dat gewoon niet in haar beeld van de wereld of van het leven past. De ziel die haat, is van oordeel dat het gehate wezen niet het recht heeft om haar levensweg te kruisen, want dat het op één of andere wijze haar geluk of haar vooruitgang belemmert.
De ziel die een medeschepsel haat, streeft er eigenlijk bewust of onbewust naar, dit medeschepsel schade toe te brengen, het te kwetsen, het te kleineren of het gewoon van haar levensweg te verdringen.
De geschiedenis van de mensheid kent vele politieke regimes waarin de haat tot een georganiseerde levensgesteldheid was uitgewerkt, en zelfs door zeer verleidelijke ideologieën goedgepraat, ja als absoluut noodzakelijk voorgesteld werd. In elke samenleving heerst echter haat, doordat dit onkruid overal opschiet waar de bloemen der Ware Liefde in massa gedood of verstikt worden.
Haat werkt in de ziel als een groot lek langs hetwelk het Licht zo snel wegvloeit, dat de ziel spoedig in diepe duisternis baadt. De enige echt doeltreffende beveiliging tegen de bloei van haat in de ziel is dagelijks gebed om de genade van Liefde tot alle beproevingen, opdat de ziel niet spoedig in de verleiding zou komen om een medemens die haar (werkelijk of vermeend) schade berokkent, te beschouwen als een totaal nutteloze hindernis op de weg. In werkelijkheid is elke medemens steeds een instrument dat door Gods Voorzienigheid wordt gebruikt om ons naar de volmaaktheid, de heiligheid, te leiden. Ook een “hatelijke” medemens is trouwens nooit bron van kwaad, doch steeds kanaal door hetwelk het kwaad zijn verwoestingwerken zoekt te volbrengen. Hij is zelf het eerste slachtoffer van zijn eigen gesteldheden.
Haat kan nooit, in geen enkel geval, gerechtvaardigd worden. Zelfs in het extreme geval waarin de ziel zozeer door een medemens wordt gekweld dat deze medemens voor haar de vertegenwoordiging van alle duisternis vormt, is het de plicht van de ziel, te bidden om de genade, deze medemens te kunnen beschouwen als een arme misleide ziel wier hart van alle Licht en warmte is beroofd, en oprecht te bidden voor de innerlijke bevrijding van deze ziel. Het is in de ervaring van het “gehaat worden”, dat de ziel tot echte held in de vergevingsgezindheid kan komen, en daardoor stromen van bevrijdende genade over de schepping kan brengen. Er is geen groter werktuig tot het breken van de macht der duisternis dan de oprechte vergeving.
4.   Wrok, verbittering en onverzoenlijkheid:
Wrok, verbittering en onverzoenlijkheid zijn gesteldheden die zich in het hart kunnen nestelen wanneer de ziel het slachtoffer is (of is geweest) van schade die haar door een medemens is toegebracht, op welke wijze dan ook. De ziel is hierover diep teleurgesteld, en in plaats van de ervaring echt te verwerken (door deze in haar hart te vermengen met Ware Liefde die alle nevel geleidelijk oplost) staat zij toe dat haar negatieve gevoelens erover een leven op zich beginnen te leiden. De ziel doet geen pogingen om deze gevoelens te zuiveren, doch laat hen onbewerkt liggen, zodat zij tot ontbinding overgaan en geleidelijk elke vezel van de ziel vergiftigen en verzieken.
Door deze gesteldheden worden talloze relaties tussen mensen onwerkzaam gemaakt. Wij mogen nooit uit het oog verliezen dat God met elke betrekking en met elk contact tussen mensen een bedoeling heeft: dit alles maakt deel uit van Zijn grote Heilsplan voor de zielen. Elk draadje in dit reusachtige netwerk van relaties en contacten, dat onwerkzaam wordt doordat zielen de beproevingen die zij door toedoen van hun medemens ondergaan, niet op de juiste wijze verwerken, vormt een blokkade binnen het hele systeem van de schepping, en belemmert de voltooiing van het Heilsplan.
Wrok, verbittering en onverzoenlijkheid werken in de ziel als gif, dat zich over haar hele omgeving verspreidt. Een groot aandeel van de duisternis binnen de schepping wordt veroorzaakt door deze gesteldheden, die talloze zielen in hun greep houden.
Om het Ware Geluk en de volkomen Vrede in alle harten te brengen, moet de schepping worden gezuiverd van alle elementen van onreinheid die de duisternis onder de zielen brengt door de Liefde in hen te verwoesten. Ieder van ons kan daar zijn eigen bijdrage toe leveren, door te bidden, offers te brengen, en volhardend te werken aan de uitzuivering van elk spoor van liefdeloosheid in zijn eigen hart. Onze samenleving is verdorven omdat zeer vele individuele harten zich hebben prijsgegeven aan het denken en voelen zoals de satan zelf hen dit ingeeft. Laten wij niet langer toestaan, slaven van de werken der duisternis te zijn, terwijl de God van Liefde in ons de erfenis van het Eeuwig Licht heeft gelegd.




BRON: uit de onderrichtingen van  het Maria Domina Animarum Apostolaat:(zie onderrichtingen: korte onderrichtingen: De Hemels Bronnen)




“In de ziel waarin de Hoop de volkomenheid nadert
heerst de overtuiging dat het Licht de duisternis reeds overwonnen heeft, ondanks de schijn van een huidig overwicht van de duisternis in de wereld.”









dinsdag 24 mei 2016

VADERSCHAP VAN DE EEUWIGE VADER

VADERSCHAP VAN DE EEUWIGE VADER:

tweede zondag van juni (Vaderdag)


de Eeuwige Vaderde Schepper van alle dingen en alle zielen.”



Vandaag gedenken wij onze vaders. De Vader van alle vaders, de Eeuwige Vader, de Schepper van alle dingen en alle zielen, wordt op deze dag echter gemakkelijk vergeten. Dat komt doordat de ziel zich gewoonlijk slechts verheugt over datgene wat voor haar op zintuiglijke wijze waarneembaar is en haar bovendien aanleiding tot vreugde geeft. Eigenlijk zijn deze beide voorwaarden juist op de Eeuwige Vader in een hogere mate van toepassing dan op wat dan ook in ons leven:
Is de Eeuwige Vader niet waarneembaar? Het hangt ervan af, op welke wijze de ziel haar leven en haar leefwereld pleegt te bekijken. Concreet in het leven van de ziel aanwezig is eigenlijk in de eerste plaats datgene, wat zich diep in haar tracht uit te werken. Niets doordringt de ziel méér en dieper dan God. Veel in ons dagelijks leven is voor ons concreet waarneembaar, doch is ons veel minder tot nut dan onze wereldse behoeften ons graag laten geloven. God daarentegen, heeft elke vezel van ons wezen van Zichzelf vervuld. Of wij Zijn inwoning wel merken, en in welke mate, hangt af van de mate waarin wij vergeestelijkt, dan wel in de wereld geworteld leven, alsook van wat wij als zin en doelstelling van ons leven beschouwen. Leeft de ziel gericht op haar roeping als kind van God, en leeft zij derhalve uiteindelijk eerder voor datgene wat na dit aardse leven komt, dan zullen God en Zijn Werken ook in de kleinere dingen van het dagelijks leven de spil zijn, die haar in alles drijft. God is dan voor de ziel een concrete realiteit, ook wanneer zij niet met de mystieke gewaarwording van Zijn Tegenwoordigheid is gezegend.
1.                    Is de Eeuwige Vader voor de ziel geen aanleiding tot vreugde? Ook dit is een kwestie van invalshoek vanuit dewelke de ziel kijkt. Zonder God leeft de ziel niet eens. Elke seconde van haar leven wordt door Hem bezield. Gewoonlijk is het leven op aarde, vanuit de waarneming van de ziel, geen bron van vreugde. De wereld is duister, en kan dus nauwelijks iets anders dan duisternis voortbrengen. Niettemin beseft de ziel die zich niet door werelds denken doch door Gods Geest laat leiden, dat elke beproeving een kind van de Ware Liefde van God is. De meeste beproevingen worden niet door God teweeggebracht, doch Hij laat hen meestal toe, omdat voor Hem slechts één ding belangrijk is: Hij verlangt er intens naar, elke ziel voor eeuwig bij Zich in de Gelukzaligheid te hebben. Daartoe moet zij echter haar aandeel in de voltooiing van Gods Heilsplan volbrengen, d.w.z. Jezus Christus navolgen in de volheid van wat Hij de zielen door Zijn Leven en Zijn Woorden heeft geleerd – in de kruisen, en in de Ware onzelfzuchtige Liefde. Welk groot teken van Gods almacht: Alle wereldse duisternis wordt door Hem omgevormd in eeuwig Licht, in de mate waarin de ziel in haar hart reeds “een voorontwerp van de voltrekking van deze omvorming uittekent” – door liefdevolle, vertrouwensvolle aanvaarding en toewijding.
Wanneer de ziel meent dat God haar geen aanleiding tot vreugde geeft, heeft zij van Gods Werking en Zijn doelstellingen nog niets begrepen. God bereidt niet slechts elke ziel vreugde, Hij is Bron van alle vreugde. Ontbreekt het de ziel aan het vermogen, in haar hart de beproevingen van het leven vanuit een Hemelse invalshoek te beschouwen, dan zal zij nooit inzien wat God werkelijk voor haar, voor haar leven en voor de hele Schepping betekent. In dat geval zal God voor de ziel ofwel een onbelangrijke Factor zijn (niet zelden laat God de ziel volkomen onverschillig) of houdt zij Hem zelfs voor de grote Schuldige, die ofwel zo onverschillig is dat Hij alle duisternis op aarde zo maar laat begaan, ofwel de duisternis zelfs Zelf teweegbrengt.
In andere gevallen houdt de ziel God voor de grote Hindernis op de weg van een onbeteugelde beleving van alle ondeugd. Laten wij slechts denken aan de grote dwaling van het liberaal denken, volgens hetwelk de traditionele christelijke waarden “een onbelemmerde beleving van de vrijheid van het individu in de weg staat”. Voor wie zijn leven leidt tegen de achtergrond van deze dwaling, is Gods Aanwezigheid geen vreugde doch een aanstoot, die zo spoedig en zo grondig mogelijk uit het eigen leven en uit het maatschappijbeeld moet worden verwijderd. “Vrijheid” is geen ware vrijheid wanneer zij voortvloeit uit ongebreidelde beleving van allerlei ondeugd en een nastreven van de bevrediging van louter wereldse behoeften, een dergelijke vrijheid is in werkelijkheid de handtekening onder het doodsvonnis voor het Eeuwig Leven, dus onder een akte van eeuwigdurende slavernij jegens de duisternis.
Dergelijke dwalingen zijn uitermate pijnlijk, omdat zij:
·                            Net het tegenovergestelde van de werkelijkheid zijn.
·                            Op een verblinding zijn gebaseerd, die de duivel in de zielen tracht op te wekken opdat zij de Ware Liefde niet meer zouden herkennen en zij in het wereldse zouden wegzinken zoals in drijfzand waaruit zij zich nog slechts moeilijk kunnen bevrijden. De verblinding met betrekking tot Gods Werking is wellicht de meest verspreide en diepst gewortelde bron van geloofsverlies onder de zielen, en derhalve één van de succesrijkste vormen van gif, dat de duivel de kinderen Gods dagelijks tracht toe te dienen. Hij wint hierdoor ontelbare zielen voor zich, want het betreft hier een verblinding waarvan de meeste zielen zich nooit bewust worden.
God is de Vader van alle dingen en alle zielen. Zijn zaad is de kiem waaruit alle leven ontspringt, en dat drager is van het innerlijk programma volgens hetwelk het leven zich in zijn oneindig verschillende eigenheid ontwikkelt. In dit programma is reeds datgene voorzien, dat het levend wezen nodig heeft om de hoogste mate aan vruchtbaarheid en nut binnen Gods Heilsplan te verwezenlijken. Het zaad van de Eeuwige Vader vormt derhalve de blauwdruk van de volmaakte Liefde. De Liefde is de enige Bron van alle leven en van alle vreugde. De uitwerkingen van de Liefde zijn niet steeds meteen merkbaar. Het behoort echter tot de levensopdracht van elke ziel, zo te leren kijken, voelen en denken, dat zij dank zij de volle benutting van het Goddelijk Levensprogramma in zich, kan leren leven in de stille zekerheid dat al het Goddelijke zich ooit in zijn volheid waarneembaar uitwerkt, soms nog tijdens ons leven hier, vaker nog nadien.
Laten wij dit Hemels bewijs van Gods Vaderliefde, dat de Hemelse Koningin ons vandaag heeft willen geven, dankbaar aannemen en overwegen, uit Liefde tot onze Vader in de Hemel, Die alles uitsluitend voor ons Eeuwig Geluk heeft gemaakt, doch wiens geschenken door de meeste zielen nauwelijks worden herkend en ook slechts door een minderheid echt worden gewaardeerd.

BRON tekst: onderrichtingen van het Maria Domina Animarum Apostolaat: (zie onderrichtingen:Sluier van goud.)

AANBIDDING:

Er ligt een grote kracht in de aanbidding, in het eren van God. Het behoort tot het hart van het evangelie, want aanbidden kan alleen hij, die zijn knieën buigt voor God, die weet dat hij zelf niets te betekenen heeft en dat God de Allerhoogste is. Laten we daarom God aanbidden, ook in de diepste nacht en Hem in iedere situatie verheerlijken!

 Ik zag hoog in de hemel een engel vliegen. Hij had een eeuwige boodschap voor alle mensen op aarde, voor alle volken en stammen en landen en talen.  Hij riep luid: "Heb ontzag voor God en eer Hem! Want het moment is gekomen dat Hij gaat rechtspreken! AANBID Hem die de hemel, de aarde, de zee en de waterbronnen heeft gemaakt!"
(Openbaring 14:6-7)

ONS VERENIGEN IN AANBIDDING MET HET HEMELS HOF:
Wanneer onze aanbidding zelfs haar uitwerking heeft op de machten der duisternis, hoeveel te sterker  zal deze uitwerking dan in de hemel zijn. Als wij God de Vader, Jezus en de H.Geest aanbidden, en Maria vereren, is het plotseling alsof  alle engelen en heiligen meezingen. Want de gemeenschap daarboven die zonder ophouden God prijst, wacht er slechts op dat wij ons daarin met haar verenigen. Omdat aanbidding een hemelse bezigheid is, worden onze harten daardoor blij en sterk. Wij zijn als het ware naar de hemel verplaatst, waar engelen en heiligen leven in de altijddurende aanbidding van God! Moge ons zingen en bidden samen met de hemelse koren als een machtige lofprijzing tot Gods troon opstijgen.

"Heer, alle macht en eer en kracht is voor U.... Dat bent U waard. Want U heeft alles gemaakt. Alle dingen zijn er omdat U wilde dat ze er waren en omdat U ze heeft gemaakt." (Openbaring 4: 11)


“Want de gemeenschap daarboven in de hemel die zonder ophouden 
God prijstwacht er slechts op dat wij ons daarin met haar verenigen.”












donderdag 19 mei 2016

TOEWIJDING AAN MARIA ALS LEVENSTAAK

TOEWIJDING AAN MARIA ALS LEVENSHOUDING EN LEVENSTAAK:

Blog  als vervolg op de blog van 4 mei: ROL VAN MARIA IN DE HEILSGESCHIEDENIS:

http://jezusmariagroep.blogspot.be/2015/05/rol-van-maria-in-de-heilsgeschiedenis.html


"Echte, totale toewijding aan Maria is een levenshouding die berust op een roeping door Maria."

 


U hebt gemerkt dat Mariatoewijding in feite, wat de vorm betreft, heel eenvoudig is: U belooft Maria elke dag dat u bereid bent om voor Haar te werken met inzet van heel uw hebben en zijn. Oprechte toewijding aan Maria blijft echter niet bij woorden: een Maria toegewijde is pas echt toegewijd voor zover hij zijn toewijdingswoorden beleefd in elke vezel van zijn wezen. Totale toewijding aan Maria begint weliswaar met een toewijdinggebed (een akte van toewijding), maar is oneindig veel méér dan dat: U kunt uzelf pas Maria toegewijde noemen zodra u leeft als Maria toegewijde: Echte, totale toewijding aan Maria is een levenshouding die berust op een roeping door Maria. Dit betekent meteen dat het weinig zin heeft, een toewijding te verrichten, indien u in uw hart in feite geen duidelijk verlangen merkt om waarlijk Maria toe te behoren, Haar in al uw doen en laten te dienen en voor Haar te leven.

"Echte toewijding veronderstelt  een levenshouding van onbaatzuchtigheid."Totus Tuus Maria, Maria,ik ben geheel de uwe!

Ware toewijding aan Maria betekent tevens, alle vruchten en Genaden van handelingen, lijden, offers en gebeden aan Maria afstaan, en niet de neiging hebben om de verdiensten ervan als de uwe te beschouwen. Echte toewijding veronderstelt dus een levenshouding van onbaatzuchtigheid. De toegewijde vraagt niet "Maria, geef mij...", hij zegt "Maria, ik geef u...". De enige smekingen die hij verricht zijn deze waarbij hij Maria vraagt om genaden voor een medemens, voor de mensheid als geheel, en voor eerherstel aan God en aan Maria Zelf. De vruchten van deze smekingen betaalt hij reeds onmiddellijk door Maria zichzelf aan te bieden als onderpand voor de genaden die hij kan verkrijgen: de toegewijde betaalt Maria met de offerande van zichzelf en zijn eigen levenslasten. Hij zal zo goed als nooit bidden voor zichzelf, tenzij (en dat is zelfs zijn heilige plicht) voor de groei van zijn eigen ziel (gebed voor versterking van de weerstand tegen bekoringen, voor de overwinning van zijn eigen zwakheden, enzovoort. Hij stelt zich zelfs geen vragen over wat Maria met dat geschenk doet, want hij vertrouwt totaal op Haar Liefde, goedheid, wijsheid en macht. De toegewijde stelt als het ware Maria zijn handen, zijn geest, zijn hart en zijn mond, en zelfs zijn hele lichaam ter beschikking, en laat Haar deze gebruiken zoals het Haar goeddunkt, zonder enig protest.
Jezus Zelf zegt in het Evangelie: 
“Niet gij hebt Mij uitverkozen, maar Ik u”. Hetzelfde geldt voor toewijding aan Maria: indien u op zekere dag de drang voelt om u aan Maria toe te wijden, komt dat doordat Zij u voor die weg heeft uitgekozen. Totale, onvoorwaardelijke en eeuwigdurende toewijding aan Maria is een grote uitverkiezing: het is een oproep tot een leven in dienst van Gods Heilsplan voor de zielen, dus een leven dat u onvermijdelijk vele beproevingen brengt, maar ook des te meer verdiensten, op voorwaarde dat u heel uw leven in dienst van uw toewijding stelt. Stel Maria nooit teleur. Als toegewijde leeft u voor de Hemel. Houd daar rekening mee bij alles wat  doet, denkt, zegt en nastreeft.
Bedenk steeds: de behoeften van uw aardse leven mogen nooit een doel op zichzelf worden. Alleen de behoeften van de ziel zijn van tel. Wanneer u dit voor ogen houdt, beleeft u uw toewijding aan Maria als een levenstaak, een opdracht die uw leven zin en richting geeft, een streefdoel dat u voortdurend zult trachten te verwezenlijken. Vergeet geen ogenblik hoe belangrijk deze taak is, en hoezeer zij u in het spoor van Jezus brengt: God heeft Maria uitverkoren om Zijn Zoon op aarde als Mens te baren, groot te brengen en tot slot aan Hem terug te geven door het Lijden dat Verlossing zou brengen voor de zielen. Door uzelf totaal, onvoorwaardelijk en voor eeuwig aan Maria toe te wijden, wordt u evenzeer Haar kind als Jezus Zelf op aarde Haar kind was. Dan kan Zij ook u opvoeden, u vormen en kneden tot een heilige, om in uw stervensuur door Haar aan God te worden gegeven met de verzamelde offers en beproevingen van uw hele leven, om op grond daarvan Heil en zegen over de zielen te storten en ook hen binnen te leiden in het Eeuwig Geluk in de Hemel. Vraagt uw Hemelse Moeder om de gunst die Zij u wil geven doch die Zij u pas kan geven indien u daar echt naar verlangt: deze, werkelijk uw Moeder te kunnen zijn. Vraag Haar dagelijks: Maria, wil mij vandaag in uw Moederschoot dragen en mij baren als uw kind. Uw Hemelse Moeder wacht op u. Open uw hart voor Haar.
 Waaruit bestaat uw opdracht als toegewijde aan Maria?
Totale toewijding aan Maria is een levenslange opdracht. Deze bestaat hieruit, dat u uw hele wezen (uw ziel, uw gevoelsleven, uw gedachtewereld en uw lichaam) volledig ter beschikking stelt van de verwezenlijking van de Plannen en Werken van Maria, die de leiding en besturing over Gods Plan van Heil voor de zielen heeft. U stelt ook al uw handelingen, woorden, verlangens, bestrevingen en uw wil volledig ter beschikking van Maria. Met alles wat u bent, wat u heeft en wat van u uitgaat, ook het schijnbaar geringste, kan Maria grote dingen doen. Het is een Goddelijk Mysterie: Maria heeft de macht gekregen om kleine, ogenschijnlijk banale dingen te veranderen in grote dingen. Bijvoorbeeld: een vriendelijke glimlach naar een medemens toe, wordt in Maria’s handen veranderd in een kracht van Liefde die Verlossing kan brengen aan een ziel, waar ook ter wereld.
Beslis niet zelf over de waarde van een handeling of woord, alleen God en Maria kunnen hierover oordelen, op grond van verschillende factoren: de waarde van elke handeling of elk woord wordt onder andere bepaald door de gesteldheid van uw hart terwijl u de handeling stelt, de zuiverheid van uw ziel op het ogenblik van de handeling, het ogenblik waarop (en de omstandigheden waarin) u de handeling stelt, de bedoeling waarmee u ze stelt, en de vurigheid en Liefde waarmee u deze handeling aan Maria toewijdt. Dit alles samen bepaalt mede de mate waarin Maria de handeling in Haar Hart versterkt: Zij kan de waarde van uw handeling verdubbelen, vertienvoudigen, enz. Daarna wordt deze handeling toevertrouwd aan de schatkamer der Goddelijke Genaden als “betaalmiddel” voor het vrijmaken van Genaden voor zielen. Zo kan een schijnbaar banale handeling, gesteld door een heilige ziel, met vurige Liefde, met een bedoeling die totaal gericht is op de verwezenlijking van Gods Plannen, en met vuur toegewijd aan Maria, door Maria zodanig versterkt worden dat deze handeling een grote Genade afkoopt voor een ziel. Zo begrijpt u dat uw opdracht als toegewijde louter en alleen bestaat uit de offerande van alles wat u bent, hebt, doet, zegt, voelt, denkt en nastreeft, aan Maria. Dit is een opdracht die niet kan eindigen alvorens uw laatste ogenblik in dit leven voorbij is.
Echte toewijding aan Maria is een leven van geven, niets dan onbaatzuchtig geven. U vraagt zo goed als niets voor uzelf. Dat “gevengebeurt in uiteenlopende vormen: gebed, offers, boetedoening, lijden dat met Liefde aanvaard en gedragen wordt, actieve bestrijding van alle kwaad, apostolaatwerken tot leniging van de lichamelijke behoeften en de zielennood van uw medemens, verspreiding van Gods Woord, bevordering van de toewijding aan Maria, daden en akten van eerherstel, enzovoort. Het belangrijkste, en tevens vaak meest verborgen, onderdeel van uw opdracht is echter dit: het onophoudelijk werken aan uzelf, aan uw eigen heiliging.
Dit onderdeel van uw taak is het belangrijkste omdat het bepaalt hoe zuiver uw ziel is voor de inwoning van Maria, hoe vruchtbaar uw werken als toegewijde zijn (want de vrucht van werken is grotendeels afhankelijk van de staat van heiligheid van de ziel die deze werken verricht; daarbij is “vrucht” niet zozeer het zichtbare resultaat doch de kracht van genade die door een handeling in werking wordt gesteld), en in hoeverre u het vermogen zult bezitten om andere zielen aan te steken met het ware Vuur. Wanneer u uw ziel beschouwt als een tempel, kunt u begrijpen dat Maria, de allerzuiverste Koningin, niet gemakkelijk voorgoed in u Haar troon zal vestigen zolang uw tempel vervuild en onherbergzaam is. Vervuild is uw tempel zolang er vele of grote ondeugden heersen, en onherbergzaam is hij zolang het leven in uw tempel weinig in overeenstemming is met Maria’s verlangens, want dan is de tempel van uw ziel kil en verduisterd. Houd dit steeds voor ogen, want uw opdracht als totale toegewijde van Maria ligt voor een groot gedeelte op het vlak van de zelfvervolmaking.

BRON: uit de onderrichtingen van het Maria Domina Animarum Apostolaat:(zie Mariatoewijding)

http://www.maria-domina-animarum.net/


  "Vraagt uw Hemelse Moeder om de gunst die Zij u wil geven doch die Zij u pas kan geven indien u daar echt naar verlangt: deze, werkelijk uw Moeder te kunnen zijn. Vraag Haar dagelijks: “Maria, wil mij vandaag in uw Moederschoot dragen en mij baren als uw kind”. Uw Hemelse Moeder wacht op u. Open uw hart voor Haar."


ALLES DELEN MET MARIA:
Maria onderricht: (20 juli 2007)

“Ik heb de zielen gezegd dat zij hun toewijding zodanig moeten beleven dat zij alles met Mij delen, Mij bij alles betrekken, doch nog steeds door eigen inzet verdiensten moeten verwerven. Ik wil hierbij twee dingen duidelijk stellen:
1. Ik heb gezegd dat “een probleem afgeven aan Maria” niet betekent dat Ik het kruis voor de ziel moet dragen. Ik bedoel daarmee niet dat Mijn rol beperkt zal blijven tot louter toezicht. Laten de zielen niet vergeten dat Ik de Moeder van de Goddelijke Voorzienigheid ben. Wanneer een ziel een probleem met Mij deelt, zijn twee ontwikkelingen mogelijk: ofwel bekom Ikzelf haar daadwerkelijk de genade van een totale oplossing, ofwel zet Ik krachten in werking waaruit situaties kunnen ontstaan die gelden als tekenen voor de ziel, waardoor zij kunnen weten of voelen dat het ogenblik gekomen is om een bepaalde stap te zetten.
Zo begeleid Ik zielen naar de oplossing voor hun problemen. Zij moeten hierbij een grote openheid ontwikkelen en met Wijsheid en geduld te werk gaan, want sommige gebeurtenissen zijn geen Hemelse tekenen doch wereldse valstrikken. Precies daarom is ware toewijding: elke situatie, gebeurtenis of gesteldheid met Mij delen, en vanaf dat ogenblik in volhardend gebed en met geduld en vertrouwen openstaan voor de nodige veranderingen, en de wegen aanvaarden die zich aandienen om tot die veranderingen te komen.

Hoe intenser de ziel op Mij gericht leeft, des te trefzekerder zullen haar handelingen tot oplossing van haar moeilijkheden worden, want de ziel zal ervaren dat zij in alle rust als door een onzichtbare hand naar de oplossing wordt geleid. De aanvaarding van de weg naar de oplossing is dan het ware kruis, de ware inspanning en de ware verdienste van de ziel. Ziehier het belang van het betrachten van een gesteldheid van aanhoudend gebed en innerlijke Vrede.
2. Wanneer Ik zeg dat de ziel uiteindelijk zelf de laatste stap zal moeten zetten, bedoel Ik hiermee evenmin dat zij haar probleem moet vasthouden, wel integendeel. Zij moet het met Mij delen door het te begraven in de grond van Mijn Hart en er niet meer naar om te kijken. Hoe kan zij zelf tot een uiteindelijke oplossing komen? Doordat Ik haar des te gemakkelijker naar de oplossing kan leiden naarmate zij het probleem uit haar denkwereld verwijdert. Ziehier de gouden regel:
1. De ziel ervaart een moeilijkheid;
2. Zij wijdt de moeilijkheid aan Mij toe;
3.Zij beschouwt de moeilijkheid als reeds opgelost, en vermijdt daardoor, er verder nog aan te denken;
4. Doordat de ziel de moeilijkheid uit haar geest loslaat, stelt zij jegens Mij een akt van vertrouwen en overgave, en kan Ik in haar hart een opening vinden die zij nodig heeft om in alle vrijheid en onbevangenheid de ware tekenen voor een oplossing te leren zien. Zolang de ziel haar probleem blijft beredeneren of er haar hele gedrag door laat beïnvloeden, is het alsof zij de toegangsdeur tot haar hart krampachtig sluit.

Loslaten en overgave is ontspanning van het innerlijk leven, en zet de deur open voor de winden van Gods Geest, die hart en geest verfrissen en nieuw Leven inblazen. Het ware Goddelijk Leven is vrijheid van hart en geest. Zodra de winden van Gods Geest de ziel kunnen betreden, deelt de ziel ook in de inzichten van Gods Geest. Bedenk hierbij dat voor Gods Geest geen onoplosbare problemen bestaan.
5. Naarmate de ziel zich méér en dieper op Mij richt en intenser naar eenheid met Mij verlangt, en dus de ware totale toewijding beleeft, leert zij méér voelen vanuit Mijn Hart. Bedenk dat de oplossing voor haar problemen precies in Mijn Hart uitgewerkt wordt omdat de ziel deze problemen aan Mij heeft toegewijd;
6. Hierdoor ziet de ziel op Gods tijd als het ware de oplossing voor haar moeilijkheden voor ogen, alsof zij het zou aflezen uit het Boek der Wijsheid dat zij in Mijn Hart geopend ziet.
Ik benadruk: de ziel die haar moeilijkheden op de juiste wijze met Mij deelt, zal zelf de oplossing zien die Ik als Meesteres van de Voorzienigheid voor haar heb bereid. Zij zal het zien, in de mate waarin zij haar moeilijkheden loslaat en erop vertrouwt dat Ik in het verborgene haar leefwereld beïnvloed. Het enige wat Ik van een ziel bij de toewijding van een moeilijkheid verlang, is dat zij deze leidraad zou volgen:
Toewijden – Vertrouwen – Loslaten – Openheid van hart en geest.
Zeg de zielen dat zij mogen hopen op een wonder, doch er geen mogen verwachten. De betrachting van de gegeven leidraad is het ware kruis  van verdienste. Wanneer de ziel hierin volhardt, zal zij verdiensten verwerven die een wonder haar niet zou geven”.

BRON:uit de onderrichtingen van het Maria Domina Animarum Apostolaat:








woensdag 11 mei 2016

DE BRUILOFT IN KANA

 BRUILOFT IN KANA:



 

 

Na Zijn Doopsel in de Jordaan trekt Jezus de woestijn in om er Zijn Openbare Missie voor te bereiden. Na veertig dagen keert Hij terug, en weinige dagen later is Hij uitgenodigd op een bruiloft. Wanneer er op zeker ogenblik geen wijn meer is, nodigt Maria de bedienden uit om te doen wat Jezus hen zal zeggen. Zij weet dat Hij op Haar woord de aanwezigen uit hun nood zal redden, en Hij kan Haar verlangen niet weerstaan, omdat zich tussen Hen een mystieke versmelting uitwerkt, die voor altijd een doorstroming van Gods Genade naar de zielen toe mogelijk zal maken. Maria is te Kana reeds ten volle de Brug tussen Hemel en aarde, tussen God en de zielen, en God Zelf kiest de weg doorheen Haar Hart boven elke andere weg, omdat Zij het enige Kanaal is, dat de stroom van Gods genade niet kan verontreinigen.
God kiest een schijnbaar wereldse gebeurtenis voor het eerste grote optreden van Zijn Messias ten overstaan van de zielen. Niettemin is te Kana oneindig veel méér aan de hand dan werelds  ziende ogen zien en werelds voelende harten begrijpen. Jezus verandert water in wijn op een bruiloft, zo zien het de ogen aan de oppervlakte. In werkelijkheid gebeurt hier echter méér:
Het leven van elke ziel op aarde is een voorbereiding op de bruiloft van deze ziel met God na dit leven. Het water kan gelden als een symbool voor de beproevingen en kruisen van de levensweg. Wijn is als het ware een koninklijke drank, en bovendien een symbool voor het Bloed van Christus, het Bloed der Verlossing. De Meesteres van alle zielen wijst erop dat te Kana wordt voorafgebeeld hoe Zij de Christus ertoe brengt, de beproevingen en kruisen van de zielen van goede wil – zielen die de bedoeling hebben, de bruiloft met God aan te gaan – te veranderen in de wijn van het bruiloftsmaal, of nog anders uitgedrukt: de beproevingen en kruisen van deze zielen te laten overvloeien in het Bloed dat de zielen heeft verlost, zodat deze laatsten in de ware zin van het woord hun leven voltooien als kleine medeverlossers. Zo transformeert God door tussenkomst van Maria de zielen op grond van hun toegewijde beproevingen in zielen in de toestand der verheerlijking.
De Bruiloft te Kana herinnert ons eraan, dat de beproevingen en kruisen van ons leven geen overbodige ballast zijn, en dat wij ze niet mogen laten wegvloeien. Zij zijn de dragers van het water van Goddelijk Leven, dat wij in de kruiken van ons hart moeten bewaren, met andere woorden: met Liefde bekleed, klaar moeten houden voor elke komst van de Christus in ons hart. Wanneer de ziel een leven leidt van constante toewijding van haar beproevingen aan Maria, vult zij hierdoor de kruiken van haar hart met water van Goddelijk Leven, dat op Maria’s woord door God Zelf tot zijn volle uitwerking wordt gebracht. De Meesteres van alle zielen toont Zich hier dus als de Brug naar de voltrekking van de bruiloft van de ziel met God: de voltooiing van het ware levensdoel van elke ziel.
Het Evangelie verhaalt hoe (niet zonder verbazing) tot de bruidegom werd gezegd dat hij de goede wijn tot het einde had bewaard. De Meesteres van alle zielen geeft over deze passage verschillende spirituele achtergronden. Tot de meest opmerkelijke behoort deze, waarbij Zij “de goede wijn” laat zien als de voorafbeelding van het Bloed van Christus, dat de Hemelse Bruiloft voor de zielen mogelijk moest maken. Bloed kunnen wij beschouwen als symbool voor verlossend lijden. Het Bloed van Christus was de beste wijn, omdat Zijn Offer, Zijn Lijden, het grootste van de hele Heilsgeschiedenis zou zijn, omdat het alomvattend was en de Verlossing moest ontsluiten voor alle zielen van alle tijden die werkelijk naar hun Verlossing zouden verlangen. God (de Bruidegom) heeft de goede wijn (het verlossend Bloed van Christus) tot het einde (het Nieuw Verbond) bewaard, en heeft de mensheid getoond dat Hij Maria, de Moeder, Middelares, Voorspreekster en Meesteres, als een vaste en onontbeerlijke schakel in de voltrekking van de Verlossing had voorzien, en dus als de Medeverlosseres.
Vragen wij vandaag Maria om de genade dat Zij in ons de kracht, de moed en de wil levend moge houden, Haar onze beproevingen onophoudelijk ter beschikking te stellen, opdat Zij – die zozeer om ons welzijn bekommerd is – onze noden te hulp moge komen met de woorden: “De ziel heeft geen wijn meer”, met andere woorden: “De ziel verlangt naar heiliging, opdat zij haar Hemelse bruiloft moge kunnen voltrekken”. God ziet in deze woorden de vervulling van Zijn verlangen naar overgave van de ziel aan Zijn Wet, die de poorten van Zijn Schatkamer opent. De grootste wonderen voltrekt God in de ziel die zich vrijwillig in de volgende gouden ketting inschakelt:
·                            liefdevolle toewijding van alle kruisen aan Maria →
·                            Maria vormt en kneedt de ziel, en draait de sleutel in de poort der genaden om →
·                            de beproevingen worden omgezet in grondstoffen voor Verlossing en heiliging
·                            Tussen de ziel en God wordt de bruiloft voltooid: het water van haar beproevingen (de regenbuien van haar aardse leven) wordt omgezet in de wijn van Eeuwig Leven.
Laten wij vandaag deze wonderen van Gods Liefde beschouwen, en de rol die de Meesteres van alle zielen in deze Hemelse processen speelt, en laten wij ervoor danken.
BRON: uit de  onderrichtingen van het Maria Domina Animarum Apostolaat: (zie onderrichtingen: sluier van goud)