zaterdag 11 juli 2015

MARIA DE TUINIERSTER VAN HET PARADIJS

MARIA DE TUINIERSTER VAN HET PARADIJS:

 Beschouwing geïnspireerd door de Meesteres van alle zielen


Gods Geest heeft ons de Moeder Gods laten zien en herkennen als het Symbool voor de ware spirituele lente.”


In de natuur zoekt Gods Intelligentie zich in deze tijd van het jaar in het rijk der planten, bloemen en bomen uit te werken. Alles wat leven in zich draagt, bloeit in de onzichtbare en onmeetbare kracht van Gods werking om datgene te volbrengen waartoe het geschapen is. Zo tracht alles zijn eigen deel van de vanwege God gekregen opdracht binnen het grote Heilsplan te volbrengen. De mensenziel, ondanks het feit dat zij als kroon op de Schepping was bedoeld, vergeet heel gemakkelijk dat zij net zoals de plant, de bloem en de boom de instromingen van de werkingen van Gods Intelligentie in zich ontvangt en aan Zijn Levenswetten onderworpen is. Volmaakt is het leven slechts voor het schepsel dat Gods Wetten in hun volheid gehoorzaamt en zijn leven helemaal volgens deze Wetten richting geeft.
Lente betekent nieuw leven. Gods Geest heeft ons de Moeder Gods laten zien en herkennen als het Symbool voor de ware spirituele lente. Deze kennis loopt precies zoals een gouden draad doorheen onze hele verkondiging. God laat de zielen in deze Laatste Tijden Maria  ontdekken en waarderen als een wonderbare Brug. De Heilige Maagd beschikt over de Liefde en over de nog zozeer miskende macht om zielen inwendig zo om te vormen, dat het zaad van hun talenten en gaven niet langer onbenut blijft liggen en niet langer beetje bij beetje door het onkruid van wereldse invloeden wordt verteerd, doch dat dit zaad de ware lente kan beleven.
Een leven in en met Maria betekent een wedergeboorte, een opstanding uit het graf van de wereldse verlangens en gehechtheden voor een bloei zoals de ziel zich deze doorgaans nooit had kunnen voorstellen. De lentebloesems in de ziel zijn de deugden, die uit de winterslaap van het werelds leven tot nieuw leven worden gewekt en die geleidelijk aan uit het sap van de Hemelse bezieling van Maria’s innige Tegenwoordigheid de vruchten van een zomer in de ziel bereiden. Wonderbare ruil: God schenkt de ziel Maria, die deze ziel voedt met de melk van totaal nieuwe inzichten en wijzen van beschouwen, en de ziel... bloeit en rijpt, ter ere van God en ten dienste van Zijn Heilsplan. Doordat de ziel die zich vrijwillig aan Maria’s leiding onderwerpt, tot een levende lente wordt omgevormd, eert zij ten diepste het ware Wezen van God, die de Bron van het Leven en van de bloeikracht IS.
Zo wekt Maria voortdurend zielen uit de winter op, brengt in hen de ware Lente tot stand en leidt deze zielen dan de zomer van de hoogste vruchtbaarheid binnen. De tuin van de ziel bereikt zijn door God voorziene groei des te sneller naarmate hij zich precies naar Gods Wetten schikt, omdat in deze eenheid met Gods Hart en met Gods Wil Gods Intelligentie zich ongeremd kan uitwerken. Waar Gods Intelligentie zich in het levend wezen ongeremd kan uitwerken, heerst volkomen gezondheid. Dit geldt niet slechts voor het stoffelijk leven, doch net zo zeer voor het zielenleven. De bodem waarin Gods Tegenwoordigheid ongeremd en zonder menselijke inmenging werkzaam kan zijn, is door en door gezond. Zo kan ook de bodem van de ziel des te gezonder worden naarmate de ziel zich in zelfverloochening aan Maria geeft, die dan in haar Gods Wetten tot volle ontplooiing brengt. Deze bodem laat zich slechts voeden uit het Hart van de Moeder Gods. Het onkruid der bekoringen verwelkt bij gebrek aan datgene wat het nodig heeft om zijn woekering verder te zetten. Een leven in en met Maria damt elke vloed van de duisternis in, die zich op de ziel tracht neer te storten.
Maria brengt de zonnestralen uit Gods Hart naar de zielentuin. Deze zonnestralen zijn volgeladen met Liefde (de essentie van het Goddelijk Leven), Licht (het inzicht in goed en kwaad, en in de ware Wijsheid) en geborgenheid (het ware geloof en de ware hoop) In een zielentuin in dewelke de voeten van de Hemelse Koningin de bodem beheersen, wordt voor de slang der bekoringen en dwalingen het leven tot een kwelling, want deze tuin herinnert haar er voortdurend aan, dat zij is bestemd voor de ultieme vernedering onder de voeten van Diegene, Die van God macht over alle zielen en over elk werk van duisternis heeft ontvangen. De Goddelijke oorsprong van deze macht blijkt uit het feit dat zij wordt gebruikt om het goede volkomen te heiligen en het slechte onwerkzaam te maken. Alle Licht wordt naar God toe verheven, alle duisternis wordt vernederd en verlamd.
De lente in de tuin van onze ziel wordt merkbaar waar wij in de beproevingen hoop en moed laten heersen en de bloesems der heiliging van al onze gedachten, gevoelens, verlangens, van ons hele doen en laten ons méér aantrekken dan het onkruid van alle wereldse gehechtheden, gewoonten en bindingen met onze eigen behoeften en onze herinneringen. De zon die door de Meesteres van alle zielen in de tuin van onze ziel wordt binnengeleid, is steeds een zon die ons in het aangezicht tegemoet straalt, zodat wij alle schaduwen van onszelf, ons verleden en onze beproevingen achter ons kunnen laten, en vóór ons alles Licht, kleur en geur is, omdat wij het waarnemen vanuit een hart waarin de Koningin der Hemelse schoonheid, de Belofte van een nieuwe Lente, de Vertegenwoordigster van Gods macht Haar troon heeft gevestigd.
De Koningin des Hemels brengt de zielen de zaadjes die Zij uit Gods Hart haalt. Wanneer u uw hart voor deze zaadjes opent, zal de Koningin des Hemels deze begieten met het water van Goddelijk Leven, hen warmen met het Vuur van Haar volmaakte Liefde, en hen beademen met de zuurstof der Goddelijke Wijsheid. Zij zal dit doen tot Zij in u de wil voelt om Haar helemaal toe te behoren, in volkomen, onvoorwaardelijke en eeuwigdurende toewijding, opdat Zij uw zielentuin zou kunnen omvormen tot een perceel van het paradijs dat God spoedig op aarde zou willen grondvesten.
De Meesteres van alle zielen herinnert elke ziel eraan, dat zij ertoe bestemd is, zelf een onderdeel te worden van het paradijs dat Gods Rijk is. De ziel moet niet slechts haar leven op aarde zo vorm geven dat dit een reis naar Gods Rijk is, zij moet tevens dit Rijk in zich dragen. Precies te dien einde schenkt God ons de Meesteres van alle zielen: opdat de ziel nog tijdens haar aardse reis zou kunnen ontdekken wat haar uiteindelijke bestemming voor haar in petto houdt, namelijk de volmaakte Vrede, het Geluk zonder keerzijde, het Licht zonder schaduw. Gods Licht is het enige Licht dat nooit schaduwen werpt, omdat Hij het in Zijn Alomtegenwoordigheid vanuit alle richtingen gelijktijdig in de zielen kan laten stralen. Zalig zijn wij, die het heilig verbond met de Meesteres van alle zielen willen ondertekenen, dit verbond dat in ons de volheid van dat verrukkelijk erfdeel zal uitstorten, want Maria geldt in deze tijd meer dan ooit als Behoedster van het erfdeel dat Jezus Christus voor ons heeft verzameld: Gods Genade is de schat, het Verlossingsmysterie is de sleutel, de Meesteres van alle zielen is het Tabernakel waarin deze schat in het middelpunt van onze ziel tegen de vijand wordt beschermd. Wij kunnen dit Tabernakel ofwel erkennen, ofwel negeren. De Wetenschap van het Goddelijk Leven beoogt, de zielen te laten inzien hoe lonend het is, dit Tabernakel te koesteren als het Paleis waarin zij het Eeuwig Geluk zullen vinden.
De Koningin des Hemels was vanaf Haar Onbevlekte Ontvangenis de Draagster van de hoogste vruchtbaarheid, het rijkste Hemels zaad, de verrukkelijkste schoonheid en de heiligste geuren. Zij stort dit alles uit in de bodem van elke ziel die Haar wordt toevertrouwd. Haar roeping in deze Laatste Tijden bestaat hierin, dat Zij het zaad der Verlossing tot bloei brengt. Hoe talrijker, weelderiger en krachtiger de bloemen uit dit zaad opschieten en bloeien, des te minder voedsel kan het onkruid der bekoringen, dwalingen en misleidingen uit de bodem van Gods Rijk wegroven. De werken der duisternis voeden zich immers, zoals bekend, van Gods Werken en genadegeschenken die door zielen worden genegeerd of verkeerd worden gebruikt. Het is de roeping van elke ziel, de eigen bodem zo te laten bewerken, dat haar vruchtbaarheid voor Gods Rijk kan toenemen. Een kind van God is een ziel die de Eeuwige Lente aankondigt door datgene, wat zij door haar gesteldheid en in haar dagelijks leven vertegenwoordigt en belichaamt.
De diepe zin van de totale toewijding aan de Moeder Gods ligt hierin, dat de ziel zich door Maria laat omvormen tot een bloeiende tuin van Liefde en alle deugden. Daartoe moet de bodem noodgedwongen worden omgeploegd. Dit ploegen wordt door de Koningin des Hemels geleid en bestuurd, en gebeurt in essentie via de messen van de dagelijkse beproevingen, die de vruchtbaarheid van de zielenbodem ontsluiten en deze klaar maken om de zon van Gods Liefde, de regen van Zijn genade en de zuurstof van Zijn dagelijkse bezieling ten volle in zich op te nemen, opdat het zaad van Christus met deze zon, deze regen en deze zuurstof in aanraking zou kunnen worden gebracht. De ziel heeft niet slechts de zon nodig, zij heeft eveneens de regen en de ploeg nodig, anders komt van de bloei van het zaad helemaal niets terecht. De regen, de zuurstof en de ploeg zijn immers onontbeerlijk om de werking van de zon te benutten: Zij zijn als het ware de sleutels op de poort naar de voorraadkamer van de Liefde.
Zo is de Meesteres van alle zielen in werkelijkheid de Tuinierster, niet alleen uit het Paradijs, doch ook van het Paradijs. Zij beschikt over de zielentuinen, waakt over hen en verzorgt hen. Het is Haar doel, hen individueel tot kleine paradijzen om te vormen en hen samen te voegen tot het enige paradijs dat Gods Rijk op aarde moet worden. Hoe zij daarbij te werk gaat, met welk doel en om welke reden, alsook de fundamenten van Haar vermogen en bevoegdheid om dit alles te volbrengen, dat alles is voorwerp van de Wetenschap van het Goddelijk Leven.
Het ligt in de menselijke natuur ingebed, dat de ziel er steeds opnieuw naar verlangt om in een paradijs te leven, en dat zij daar ook steeds weer van droomt. Wat haar helaas vaak ontgaat, is dat zij dit paradijs daadwerkelijk reeds hier op aarde kan beleven, in de voltooide werkelijkheid van de totale toewijding aan Maria de Meesteres van alle zielen. Daartoe moet in haar echter het besef wortel schieten, dat een paradijs door Gods Intelligentie moet worden verzorgd en dat dit voor het leven van de ziel concreet betekent, dat zij de boom van het Kruis niet uit haar tuin mag verbannen, want het is deze, die de bloeikracht van Gods Tegenwoordigheid in de hele tuin in stand moet houden.
De ziel die zich onbeperkt aan de Koningin des Hemels weggeeft en in alle details van het dagelijks leven volgens deze overgave leeft, zal dit op zekere dag volkomen inzien, omdat al haar bloemen, planten en bomen dan nog slechts worden gevoed uit het sap dat de Meesteres van alle zielen, de Tuinierster van het Paradijs, haar recht uit Haar Hart laat toevloeien. Deze zielen denken, voelen, spreken, verlangen en handelen van dag tot dag méér volgens het patroon van hun Tuinierster Zelf, en worden door Haar in het onzichtbare steeds intenser met de Bron van alle Leven verbonden. Het schepsel drinkt dan uitsluitend uit de maagdelijke vijver der genaden, en maakt daarbij van elke vezel van haar wezen een getuige en een spiegel van het Goddelijk Leven.

BRON: uit de onderrichtingen van Maria aan het Maria Domina Animarum Apostolaat:

De diepe zin van de totale toewijding aan de Moeder Gods ligt hierin, dat de ziel zich door Maria laat omvormen tot een bloeiende tuin van Liefde en alle deugden.”


Het Maria Domina Animarum Apostolaat:









Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen