maandag 12 september 2016

DE KRUISWEG

De dagen van de passie van Christus:
 (goede vrijdag)

De KRUISWEG:

 O JEZUS, IK AANBID EN IK BEMIN U, OMDAT Gij DOOR UW HEILIG KRUIS, DE WERELD HEBT VERLOST.


Op de binnenplaats van de Romeinse burcht wordt Jezus bij het Kruis gebracht. Ik zie hoe Hij ernaast op de knieën valt, het teder omklemt, en weent. Zijn Hart brandt, en de Eeuwige Liefde laat mij de volgende verzuchting uit dit vurige Hart aflezen:
“O Vader, voor de bruiloft met dit Kruis ben Ik in de wereld gezonden. Zo heeft Uw Wijsheid het beschikt, dat Uw Zoon de bruiloft zou sluiten met het Kruis dat de Verlossing zal bezegelen, doch dat de vruchten uit deze bruiloft slechts geboren kunnen worden in het hart van elke afzonderlijke ziel, door haar eigen omhelzing met het kruis van haar leven. O Kruis, hoezeer heb Ik u lief. De Eeuwige Gelukzaligheid zult gij brengen aan velen, want door Mijn bruiloft met u zullen de verwoestende uitwerkingen van de erfzonde uitgeveegd worden uit elke ziel die u in Mijn navolging zal liefhebben op de kruisweg die haar eigen leven zal zijn. Aan u gehecht, zal Ik sterven in het Vlees, opdat alle zielen die u beminnen, mogen sterven aan de behoeften en begeerten van het vlees, en opdat hun heiligheid moge leven.
Op dit ogenblik verlangt de Verlosser vurig dat de opneming van Zijn Kruis elke ziel bereid zou maken om elke dag opnieuw het kruis van haar lasten op te nemen, het te omhelzen uit Liefde tot Jezus, en het aan Maria op te dragen tot uitboeting van de zonden der wereld. Maria bevindt Zich niet in de onmiddellijke nabijheid van Jezus, doch is in het Hart op de meest intense wijze met Hem verbonden. Het behoort tot de vurigste verlangens van de Verlosser dat de mensenzielen van alle eeuwen in zich de genade tot vrucht zouden brengen, deze verbondenheid tussen Zijn Hart en dat van Maria te erkennen en in de onvolprezen verlossende macht ervan te geloven.
Van het grootste belang is de vaststelling dat Jezus in Zijn verzuchting tijdens Zijn kennismaking met het Kruis onmiskenbaar laat blijken dat Zijn Verlossingswerk slechts de bruiloft is, doch dat de ware vrucht (als het ware het kind) uit die bruiloft in elke ziel afzonderlijk geboren zal moeten worden, met actieve medewerking van de ziel. Wanneer wij daarbij rekening houden met het feit dat Jezus doorheen de hele Passie in Zijn Hart op de Eeuwige Vader en op Zijn Moeder was gericht, hoeft het ons niet te verbazen dat Hij in Zijn Hart elk element van Zijn Lijden met de Smart van Maria verbond. Reeds vóór de Passie had Hij Zijn intentie te kennen gegeven, dat Hij Maria aan de zielen zou geven. Hij zou dit doen met als enige bedoeling, de voltooiing van Zijn Verlossingswerk in elke ziel mogelijk te maken.
Wij mogen nooit uit het oog verliezen dat God in al Zijn handelen (Werken) en in al Zijn Plannen slechts één doel nastreeft: het Eeuwig Heil van alle zielen. Precies dit was de bedoeling van de Passie, van de vormgeving ervan, en van alles wat de vruchtbaarheid ervan doorheen de eeuwen zou verhogen. Om deze vruchtbaarheid te verhogen, werd Maria toen reeds bij Goddelijke Beschikking voorzien als de Medeverlosseres, die in elke ziel de ontvankelijkheid voor het zaad uit de Werken van de Christus zou verhogen. De God van Liefde heeft niets aan het toeval overgelaten. Het zaad was voorbereid, de voorbereiding van de akkers was door de Goddelijke Zaaier begonnen en zou door de Heilige Geest bij voorkeur via Maria worden bekroond, en de Zaaier stond nu op het punt om de inzaaiing te voltooien.
De Kruisweg begint, en Jezus wankelt onder het enorme gewicht van het Kruis, dat Hij de eerste ogenblikken nauwelijks in een positie kan brengen die het mogelijk zou maken om er niet spoedig alle greep op te verliezen. Ik zie en voel hoe vreselijk erg Hij wordt gehinderd door het feit dat op Zijn bovenrug tot en met de rechter schouder vrijwel geen centimeter zonder opengerukt vlees is te vinden. De geseling heeft ontelbare wonden achtergelaten, die nu rauw, scherp bijtend en ontstoken aanvoelen.
De wankeling van Jezus bij het opnemen van het Kruis staat symbool voor de enorme zondelast van de mensheid van alle eeuwen – bedenken wij bovendien hoe uitgeput Jezus op dat ogenblik reeds is. Terwijl Hij het Kruis draagt, krijgt Hij nog geregeld slagen. Jezus bidt in de beslotenheid van Zijn Hart:
“O Vader, moge dit alles de kracht bekomen voor de zielen die, terwijl zij de overtredingen van Uw Wet uitboeten, hierbij gehinderd zullen worden door de slagen die duistere krachten hen zullen toebrengen door vervolging en tegenkantingen van allerlei soort. Moge het ook de wankelmoedigen helpen om zonder aarzeling te kiezen voor het Ware Licht, want slechts de schijnlichten der wereld kunnen de ziel zo verblinden dat zij wankelt”.
Wankelend onder het Kruis zie ik Jezus in de overwegend smalle stegen van Jeruzalem. Het beeld doet denken aan het feit dat de beproevingen van het leven mensenzielen vaak heel moeilijk vallen, zodat hun levensweg hen eng en beklemmend toeschijnt, en de zon (= Gods Licht) hun op vele plaatsen van hun weg nauwelijks lijkt te bereiken. Zoals Jezus langs beide zijden van de weg door velen beschimpt en gehinderd wordt, voelt ook elke ziel zich door vele beproevingen (kruisen) van het leven beklemd en gehinderd, zodat zij wel eens het gevoel krijgt dat zij onder de kruisen bezwijkt.
Dat is wat nu in de Kruisweg van Jezus tot uitdrukking komt. De Verlosser offert voortdurend de zwakheden van de zielen van alle tijden, en de kruisen die verloochend zullen worden omdat zielen de strijd voor hun Heil niet langer zullen willen voeren. Jezus valt, en toont hier hoe vele zielen vallen onder hun hoogmoed, en hierdoor eigenlijk letterlijk hun contact met het wereldse (de grond, de aarde) opnieuw intenser maken. Jezus bidt de Eeuwige Vader dat de zielen van goede wil de kracht zouden krijgen om niet te wankelen onder de beproevingen, om zich bewust te worden van hun fouten en nalatigheden, die het hun op aarde zo moeilijk maken om de weg naar het Heil te voltooien, en om spoedig opnieuw op te staan, zoals Hij hier doet.
Jezus staat wankelend op, en zet Zijn verschrikkelijk zware tocht verder. Elke seconde lijkt een eeuwigheid te duren, omdat Zijn krachten met elke meter verder afnemen. Menselijk gesproken, is Hij op dit ogenblik in Lichaam en Hart uitgeblust. De ervaring van de val, waarbij het Kruis overigens zo hard op Zijn bovenrug terecht is gekomen dat Hij de eerste minuten nauwelijks lijkt te kunnen ademen, heeft Hem in alle hevigheid herinnerd aan de vreselijke zwakheid van de mensenziel.
Even verder ziet Jezus Zijn Moeder langs de weg, de enige ziel die Hem op dit ogenblik waarlijk op de been kan houden. Op Jezus komt Zij, ondanks het feit dat Haar wondermooie Gelaat door Smart is getekend, over als een visioen uit het Paradijs: Jezus ziet dwars doorheen de ziel, en wordt daarom in verrukking gebracht door de schittering van Maria’s heiligheid, die nooit door de erfzonde noch door enige misstap is bevlekt. Maria staat niet rechtop, Zij zit geknield, want bij het naderen van Jezus heeft Zij Zich op de knieën laten glijden, onhoorbaar wenend, als in aanbidding voor de Eeuwige Liefde, die hier schittert in de volheid van haar Vuur. Achter Haar zie ik apostel Johannes, met de handen in elkaar gestrengeld tegen de borst en met een ontsteld gelaat.
Bij het zien van Maria krijgt Jezus als het ware een injectie van levenskracht. Het is alsof Zijn laatste krachten zich in Hem samenballen. Hij drukt in mijn hart, dat de gevoelens die nu door Hem heen gaan, symbool staan voor de wedergeboorte die elke ziel uit het contact met Maria kan halen. Hij ziet in Haar de aanblik van de volmaakte Verlossing en Heiliging, als een stuk Hemel in deze poel van verderf en zonde. Jeruzalem lijkt vandaag inderdaad uitermate vijandig, al zie ik eveneens waarlijk bedroefde en zelfs bijna wanhopige gezichten. Ik mag hier een beeld aanschouwen dat uitdrukking geeft aan de toestand zoals hij steeds zal blijven: Jezus en Zijn Leer als Tekenen van tegenspraak, met een minderheid van vrienden en een meerderheid van vijanden, onverschilligen en niet-begrijpenden.
Jezus’ Hart, dat niet heeft opgehouden, in mysterievolle beelden tot de Eeuwige Vader en tot Zijn Moeder te spreken, spreekt nu in de stilte de volgende duidelijke woorden:
“O Vader, druk dit beeld in Mij, opdat het Mij moge bemoedigen in de kwellingen die nog komen. Zie de volmaakt Zondeloze, die al Mijn pijnen en kwellingen heeft meebeleefd tot in Haar allerreinste vlees. O Verrukking duizend maal groter dan alle engelen die Gij hebt gemaakt. O Teken van Hoop, dat Mijn Werken in de zielen naar hun voltooiing zal leiden. Nog kent de wereld Haar niet, en door velen zal Zij ook nooit aanvaard worden voor wat Zij werkelijk is. Ondersteun Haar in deze kwelling der kwellingen”.
Maria omhelst Haar Zoon op een buitengewoon eerbiedige en zachte wijze. Gedurende enkele ogenblikken kruisen Hun heilige blikken elkaar. Voor Jezus lijkt het alsof Hij opnieuw de Hemel aanschouwt, want Maria’s ogen zijn de spiegels van het Onbevlekte Paradijs van zondeloosheid en volmaakte Liefde – de volkomen in ere herstelde mensenziel. Jezus, wiens blik totnogtoe in het oneindige leek te staren, lijkt plots nieuw leven te ontvangen. Nochtans voel ik hoe Jezus’ Hart bij de aanblik van Maria als het ware openscheurt onder de invloed van twee geweldige, aan elkaar tegengestelde krachten: enerzijds de nieuwe moed die Hij ontvangt doordat Haar volmaakte Liefde Zich als een wollen mantel om Zijn Hart hult, en anderzijds het besef van de hartverscheurende Smart die Zij nu ondergaat. Maria is hier waarlijk de Medeverlosseres, die met de Verlosser gedurende enkele ogenblikken de diepste gevoelens van pijn over de zonde en de zwakheid der zielen uitwisselen van oog tot oog, van Hart tot Hart, van ziel tot ziel. Het intense gezamenlijke Lijden, dat zich totnogtoe in het verborgene van de lichamelijke scheiding had voltrokken, wordt hier bezegelt door het oogcontact, waarin de mystieke en de menselijke zijde ervan één worden.
Voor Jezus is het nu ten volle alsof Maria mee Zijn Kruis draagt, want God heeft het zo beschikt dat Zij in deze korte ontmoeting zowel een golf van Goddelijke kracht zal ontvangen, alsook Zelf tot in het diepste van Haar Wezen het Lijden van Jezus zal meedragen. Uit Haar mond komt nauwelijks een klank, uit Haar Hart schreeuwt echter de pijn om de Smart die God sedert de zondeval elke dag ontelbare malen is aangedaan, en waarvan Zij de tekenen vóór Zich ziet en voelt in de gesteldheid van Haar Goddelijke Zoon.
In deze weinige ogenblikken is Heilsgeschiedenis geschreven.
Ik werd reeds eerder aangegrepen door de aanblik van de onverschilligheid bij vele zielen langs de weg waarop Jezus bloedend verder strompelt. Hoewel deze minuten de grootste uit de Heilsgeschiedenis vormen, gaan velen gewoon door met hun leven alsof er niets aan de hand is. Zo ook Simon van Cyrene, die via een klein zijwegje aan de weg komt, waarop Jezus nadert. Omdat Simon er uitziet als een sterke man, wordt hij er door Romeinse bewakers toe uitgenodigd om Jezus, die Zich nauwelijks op de been kan houden, te helpen bij het dragen van Zijn Kruis. Simon weigert, terwijl hij Jezus aankijkt met een blik waaruit af te lezen lijkt, dat hij “met een veroordeelde liever niets te maken heeft”. Jezus kijkt hem een ogenblik aan, met lijdende doch brandende ogen, en in Simon lijkt iets te “klikken”. Hij grijpt het Kruis vast, dat echter door Jezus geen ogenblik wordt losgelaten, zodat Jezus ononderbroken de “Kruisdragende” blijft. De Goddelijke Beschikking ten aanzien van de Verlossing zou het eenvoudig niet hebben toegestaan dat Simon zelfs maar één ogenblik het Kruis in zijn eentje zou hebben gedragen, want de Verlosser moest de Kelk ledigen tot de laatste druppel.
Welk machtig symbool wordt hier afgetekend: Het vergt een zelfoverwinning, en vaak ook enige dwang vanwege de omstandigheden, om een ziel ertoe te overhalen om de eigen belangen terzijde te schuiven en een andere ziel bij te staan in een beproeving die in feite het eigen leven niet aanbelangt. Het zal echter het grote tweeledige symbool voor het leven als christen worden:
·                            *de ziel die de medemens helpt om diens kruisen (beproevingen) te helpen dragen, zodat deze medemens zelf beter in staat is om zijn eigen levensopdracht in dienst van Gods Heilsplan te vervullen, en
·                            *de ziel die Jezus in de medemens helpt om Zijn Kruis te dragen, want de Verlosser heeft bruiloft gesloten met het Kruis tot het einde der tijden, en is aanwezig in elke kruisdragende ziel.
Naarmate de tocht verder gaat, vindt in Simons hart een geleidelijke ommekeer plaats. Hij brengt hier tot uitdrukking, dat bekering, inzicht en een van harte aangeboden naastenliefde vaak tijd nodig hebben om zich in een hart zodanig te ontwikkelen, dat de gevoelens en gedachten zich van het wereldse beginnen te verwijderen om de situatie steeds méér vanuit Gods ogen te leren bekijken, tot Heil van de eigen ziel en voor het welbevinden van diegene, die men helpt. De aanvankelijke waarneming van Simon ten aanzien van Jezus verandert steeds méér van “een veroordeelde met wie ik liever niets te maken heb” naar “een arme lijdende ziel, die net zo goed ikzelf kon zijn geweest”. Hoewel Jezus en Simon geen woord spreken, lijkt tussen hen een onuitgesproken eenheid te groeien, een soort lotsverbondenheid.
God brengt hier tot uitdrukking wat kan gebeuren in elke ziel die begrijpt dat zij op haar levensweg in werkelijkheid bezig is, een kruis te dragen samen met Jezus: Gods Wet heeft tussen de Verlosser en elke ziel een lotsverbondenheid beschikt, die zal duren tot het einde der tijden. De ziel die waarlijk bereid is, haar beproevingen in Liefde en zonder protest te dragen als bijdragen tot Gods Heilsplan, kan de Tegenwoordigheid van Jezus in haar kruisen leren ontdekken, en kan een immense kracht oogsten uit het besef dat zij in waarheid bezig is, samen met Jezus aan een zelfde opdracht te werken. Dit bewustzijn kan het levendigste worden voor de ziel die zich totaal aan Maria toewijdt, omdat de Medeverlosseres in deze ziel de verbondenheid met Christus tegenwoordig zal stellen.
Hier wordt gesymboliseerd hoe tussen een ziel en God een eenheid kan groeien doordat de ziel haar waarneming steeds méér laat leiden door het hart en datgene wat Gods Geest daarin uitwerkt, in plaats van door louter wereldse waarneming en gericht-zijn op eigen belang. Hoewel Simon aanvankelijk naar huis wilde, lijkt hij er spoedig van overtuigd dat hij in dit uur nergens méér thuis hoort dan hier, als stille gezel van deze Lijdende, die ondanks Zijn verminkingen op hem indruk maakt. Simon verkondigt hier zonder woorden Gods verlangen dat de ziel haar verantwoordelijkheid zou nemen voor het kruis van haar leven, dat door de zondelast van de hele mensheid in de wereld is gekomen, in plaats van deze verantwoordelijkheid op de schouders van de Barmhartige God te laten: Gods Barmhartigheid zal voor alle tijden een gedeelte van de zondelast dragen, doordat Zij zonden vergeeft, voor dewelke hierdoor vanwege mensenzielen niet meer dezelfde uitboeting moet worden gedragen. Inderdaad: Alle zonden drukken als een last op de mensheid als geheel, en elke zonde kan slechts op één van de beide volgende wijzen van de mensheid worden weggenomen:
·                            Ofwel doordat zij op één of andere wijze door mensenzielen wordt goedgemaakt (uitboeting, offers, gebeden, Heilige Mis, aanbidding, verheerlijking, diep doorleefde toewijding...  Deze inspanningen kunnen worden aangevuld met de opofferingen vanwege zielen in het vagevuur. Dit alles samen staat gelijk met het dragen van het kruis der zonden door geschapen zielen in nog niet verheerlijkte toestand;
·                            Ofwel doordat Gods Barmhartigheid haar wegbrandt in het Vuur van de Goddelijke Liefde, op grond van een rechtstreekse tegemoetkoming van God of via de tussenkomst van Maria, die bestemd is als de Brug tussen God en de zielen.
De grote les van de tussenkomst van Simon van Cyrene ligt uiteraard hierin, dat de mensenziel steeds bereid zou zijn om het kruis van haar medeschepselen te helpen dragen, zoals een voorbijganger die door Gods Voorzienigheid op het juiste ogenblik op de juiste plaats wordt gebracht om daar zichzelf terzijde te schuiven ter wille van Jezus, die in het medeschepsel Zijn Kruis verder draagt. De ziel kan vaak eenvoudig Simon van Cyrene voor de ander zijn door voor diens verlichting en vergeving (voor de andere ziel, die steeds in zekere zin “een veroordeelde” is indien zij haar misstappen niet zou berouwen) te bidden.
Gods Voorzienigheid bereidt een nieuw lichtpunt voor Jezus en een nieuwe les voor de zielen die na Hem zullen komen: Veronica wringt zich doorheen het gedrum de weg op, zinkt op de rechterknie en biedt Jezus twee dingen aan: In de ene hand draagt zij een beker wijn, in de andere een doek. Jezus negeert de wijn, hoewel Hij er heel zachtjes voor dankt, doch grijpt met één hand naar het doek, en drukt dit in één beweging tegen Zijn Gelaat. Een prachtig beeld: Hoewel Jezus Zich volkomen uitgedroogd voelt, verloochent Hij deze hoge nood van Zijn Lichaam, om de mensenzielen een nieuw erfstuk van Zijn Liefde na te laten: Hij laat de afdruk van Zijn Gelaat op het doek na, en geeft het daarna aan de vrouw terug.
God leert hier de zielen Zijn verlangen, dat zij elkaar in de ziel zouden schoonwissen (het gelaat is hier te beschouwen als spiegel van de ziel), en hierdoor Gods evenbeeld in de ziel zouden helpen herstellen. Dit is wat gebeurd wanneer een ziel de eer en de naam van een andere ziel herstelt (haar waardigheid in de ogen van haar medeschepselen herstelt), nadat deze door het slijk van roddel en laster zijn besmeurd. Jezus toont hier, hoe Hij Zichzelf, de aanblik van de Eeuwige Liefde, in de ziel afdrukt wanneer deze zichzelf verloochent om Hem in haar medeschepselen Zijn waardigheid terug te geven, en Hem daarbij nog de wijn van haar eigen bloed (haar lijden en beproevingen, dus haar leven) wil aanbieden. Jezus neemt de beker wijn niet aan. Zo ook neemt Hij wel de offerande van alle beproevingen aan (Hij dankt voor de bereidheid, Hem deze offergave te schenken), de beproevingen zelf echter, moet de ziel nog steeds zelf dragen, doch op mystieke wijze vloeien deze door de band van het geloof in het Lijden van Jezus over. De ideale brug voor deze overvloeiing is de toewijding van alle beproevingen aan Maria, die voor altijd één van Hart met Jezus is.
De lichamelijke zwakheid van Jezus begint een zware tol te eisen. Opnieuw valt Hij ter aarde neer, waarbij het Kruis zo hard tegen Zijn Lichaam slaat, dat Hij alweer nieuwe kneuzingen oploopt, en een aantal wonden op Zijn rug opnieuw beginnen te bloeden. Ook uit de wonden van de doornenkroon vloeit opnieuw meer bloed. Deze val van Jezus symboliseert de vele beloften die de ziel aan God doet, en die zij in haar zwakheid breekt. Het is de wankelmoedigheid, de wispelturigheid, die hier ter aarde stort. God wijst hierdoor tevens op het feit dat wankelmoedigheid een teken van gebondenheid, gehechtheid aan het wereldse is (zij wordt in de val “naar de aarde toe getrokken”) Elke ontrouw aan Jezus en aan het Hart van Maria, aan wie de ziel zich toewijdt, is als een val, als een terugkeer naar de heerschappij van wereldse belangen.
Jezus heeft nog méér moeite om overeind te komen dan na de eerste val. Het is louter de wil om eerherstel te brengen voor alle ontrouw aan God en aan de naleving van elk heilig verbond (Mariatoewijding, priesterschap, huwelijk, enzovoort), voor alle wankelmoedigheid in het volgen van Gods richtlijnen, die Hem de kracht geven om Zijn Kruisweg te vervolgen. Uit Jezus’ Hart welt de smeking op, dat de zielen van alle tijden de kracht mogen vinden om op hun levensweg niet te vallen onder de lasten van allerlei wereldse invloeden, en om elk verbond met God te heiligen door een vaste wil om alle beproevingen (kruisen) te trotseren.
Jezus wankelt nu onder het verpletterend bewustzijn van de honderden miljoenen huwelijken die op aarde zullen worden gebroken, de ontelbare priesters en kloosterlingen die hun geloften niet zullen nakomen of deze op zeker ogenblik totaal zullen beëindigen, de ontelbare zielen die zich ooit aan Maria zullen toewijden doch deze toewijding niet echt zullen beleven.
Spoedig hoort Jezus naast Zich de jammerklacht van vrouwen, duidelijk behorend tot de meer welgestelde klasse, die uiting willen geven aan het feit dat zij Zijn veroordeling afkeuren en dat zij het een schande achten, dat deze heilige Profeet, deze Weldoener van Israël, nu als een voorwerp van schande ter kruisiging wordt geleid. Jezus echter, houdt enkele ogenblikken halt, en zegt: 
“Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, doch veeleer over uzelf en over uw kinderen. Jezus wijst er hier op, dat het dan wel een uiting van Liefde jegens Hem mag zijn, droefheid te voelen over Zijn veroordeling, die vanzelfsprekend vanuit een menselijk standpunt volkomen onterecht was, doch dat de ziel niet datgene moet bekijken, wat zij aan de oppervlakte opmerkt, doch veeleer dieper moet leren zien: Waarom is Jezus, de Verlosser, hier veroordeeld? Vanwege de zonden van alle generaties. God leert hier de zielen, nooit uit het oog te verliezen dat Jezus om geen andere reden het Kruis heeft gedragen, dan vanwege de zonden van mensenzielen in alle tijden.
Op de flanken van de helling die Golgotha heet (“schedelplaats”, omdat het de plaats is waar de ter dood veroordeelden terechtstaan), welt uit het Hart van Jezus een intense smeking op, dat Hij niet daar, doch aan het Kruis zou sterven, want Hij heeft het gevoel dat alle leven uit Hem wegtrekt. De uitputting lijkt compleet. Hij stort opnieuw in elkaar, en lijkt nu langer te blijven liggen dan de vorige malen wanneer Hij onder het Kruis is bezweken. In de herhaalde val wijst God op de gehechtheden, het steeds terugkeren van de zielen naar de dingen die hen in het wereldse vasthouden. Ik zie hoe Jezus tijdens het overeind komen, dat nu uitermate moeizaam verloopt, naar de top van Golgotha staart met een blik die, voor wereldse ogen, volkomen verstard en levenloos lijkt. In werkelijkheid brengt Jezus hier de uiterste vergeestelijking tot uitdrukking, in een blik die slechts één ding ziet: de plaats waar Hij de Verlossing van velen zal voltooien, de plaats waar de bruiloft met het Kruis der Verlossing definitief wordt bekroond.
Jezus vertrouwt mij toe wat zich hier in het volkomen onzichtbare werkelijk heeft afgespeeld: Enkele ogenblikken lang heeft het (wereldse, lichamelijke) leven Hem verlaten, zodat alles wat Hij nog in Zich draagt, zich op het niveau van Zijn ziel samenbalt, als een teken van volkomen overgang van werelds leven naar vergeestelijking en volkomen Goddelijk Leven. Welk machtig symbool: de bekroning van de Verlossing wordt voorafgegaan door de totale vergeestelijking. Zo moet het in elke ziel gebeuren. De beproevingen op onze levensweg moeten onze belangstelling, ons denken en ons voelen steeds verder van het lichamelijke wegleiden. Jezus’ Hart is nu zo totaal op de Godheid en het Goddelijk Heilsplan gericht, dat het in een gebed lijkt te veranderen:
“Vader, door de naderende voltrekking van Mijn bruiloft met het Kruis, geef dat alle zielen die Mij oprecht willen navolgen, ook de bruiloft met hun kruis mogen voltrekken in de opoffering van hun wereldse behoeften en in een totale bekering naar het leven in dienst van Onze Werken, tot het Eeuwig Heil van velen”.
Terwijl Jezus enkele ogenblikken wezenloos naar de top van Golgotha staart, wordt mij het vuur van Zijn verlangen getoond. Hij leeft waarlijk in een andere wereld, in de enige werkelijkheid die waarde heeft voor alle zielen: de Hemelse, alsof Hij “bezeten” is door de drang om Gods Heilsplan te ontsluiten voor alle eeuwen. Het is deze golf van Liefde en van hoop, en de verbeten wil om zielen te redden, die Hem overeind halen. Hij leeft werkelijk uitsluitend voor de voltrekking van de bruiloft met het Kruis, en voor de ontsluiting van de Hemel voor velen.
In feite wordt de Kruisweg afgesloten door deze derde val, die wellicht de grootste levensles voor de zielen in zich bergt: De ziel kan (en zal) tijdens haar levensreis meermaals vallen. Een val hoeft niet het einde te betekenen, doch een nieuw begin. Een val schenkt de gevallene de gelegenheid, zijn schreden helemaal opnieuw te organiseren. Daartoe moet hij echter eerst opstaan. Wie blijft liggen, sluit bruiloft met de aarde, het wereldse, het vergankelijke dat geen Heil kan brengen. Wie overeind komt, geeft hierdoor blijk van de wil om verder op zijn doel af te gaan. In haar hart heeft deze ziel haar doel eigenlijk reeds bereikt, en indien zij toch bezwijkt, zal God haar opdracht niettemin als volbracht beschouwen, want in haar hart was zij vast besloten om de kroon op het werk te zetten.
De ware verdienste van de levensweg is deze: dat de ziel haar opdracht niet opgeeft. Zij is geroepen om een bepaalde opdracht te voltooien, en zal tijdens de uitvoering ervan hoogstwaarschijnlijk meermaals ten val komen. Het is echter de wil om haar te voltooien, die door God als gerechtigheid wordt aangerekend, niet het uiteindelijke resultaat. Slechts Jezus moest het beoogde resultaat restloos boeken, omdat Hij de Verlosser was en dit voor alle eeuwen zal blijven. Van de mensenziel verwacht God slechts een onverdroten inspanning om na elke val op te staan, als akt van Liefde, van geloof en van hoop. De ziel die na een val opstaat en met goede moed opnieuw begint, geeft jegens God blijk van haar aanvaarding van al Zijn beschikkingen voor haar leven, en van de overtuiging dat God deze val heeft toegelaten omdat deze haar zielenheil zal bevorderen indien zij deze met Liefde, hoop en vertrouwen benadert. Dit alles heeft God de zielen willen leren in het herhaalde vallen van Jezus onder het Kruis. Zo leert God de zielen tevens, dat de ware verdienste van de ziel niet alleen wordt verzameld in de uren van vooruitgang, doch ook in de uren van schijnbare stilstand, in de wijze waarop zij met de tegenslagen omgaat, in haar denken en voelen terwijl al het andere in haar onbeweeglijk lijkt.
Jezus nadert nu, schijnbaar méér dood dan levend, de plaats van Zijn werkelijke terechtstelling: de berg der zonden, de feesttafel der Verlossing voor alle zielen die Hem door de inrichting van hun eigen leven zullen volgen.

BRON:Maria Domina Animarum Apostolaat:zie onderrichtingen: boeken: de oogst van de eeuwige liefde.
http://www.maria-domina-animarum.net/

HOU MOED. Wees niet ontmoedigd In HET KRUIS ligt het heil, de overwinning is het kruis. HET KRUIS IS STERKER DAN DE STRIJD.”







AKTE VAN GOEDMAKING VOOR ALLE ZONDEN UIT DE GESCHIEDENIS DER MENSHEID:


Lieve Moeder Maria, machtige Voorspreekster bij de Goddelijke Gerechtigheid,
Uit Liefde tot God, tot u en tot de hele Schepping, geef ik u mijn hart en mijn hele leven.
In mijn verlangen om de duisternis der eeuwen nu nog te laten doorstralen met het machtige Licht van de ware Liefde, bied ik u:
Goedmaking voor de talloze verschrikkelijke zonden die gedurende de geschiedenis van de mensheid zijn bedreven.
Goedmaking voor alle keren dat mensen in de loop der geschiedenis hun ziel hebben laten sterven door verloochening van de Liefde tot God en tot hun medeschepselen.
Ik wijd u alle lijden toe, dat mensenzielen elkaar hebben aangedaan, opdat u dit nu nog zou toevoegen aan het verlossende Lijden van Jezus en uw Smarten, tot afbetaling van de ontelbare overtredingen die zielen ooit tegen Gods Wet van Liefde hebben begaan.

BRON gebed:Maria Domina Animarum Apostolaat:
(zie gebeden: gebed n°1116)
http://www.maria-domina-animarum.net/






Geen opmerkingen:

Een reactie posten